6 jan 2009

Tijdschriften en pakketten

Eind vorig jaar en begin dit jaar ben ik druk in de weer geweest met onze tijdschriften. ‘Onze’ kan je al bijna niet meer zeggen, want het blijft wel erg onduidelijk wat je nou hebt.
Zowel wat betreft eigendom, als wat betreft toegang.
Eind vorig jaar ben ik in de weer geweest met de linksolver van Ebsco – Linksource-, waarop we een abonnement hebben genomen. Je begint dan met het opzetten van en AtoZ tijdschriftenlijst. En daar begint het al. Alles wordt geleverd in pakketten.
En dat kunnen van allerlei soorten pakketten zijn. Onderwerpsgerichte pakketten, leverancierspakketten of speciale licentie/consortiumpakketten. En natuurlijk de ´open access´, de Directory of Open Access Journals alleen al omvat (vlgs A-to-Z) 3661 titels. En dan zitten er titels bij uit allerlei onderwerpsgebieden.

Maar ook de gewone uitgevers kunnen er wat van. Als je alleen al ziet wat een lange lijst aan paketten er bestaan voor de Springer en de Elsevier tijdschriften. En dat zijn dan nog de consortium deals. Je moet dan eerst weten welk pakket je hebt. En dat is nog niet zo makkelijk te achterhalen. Noch bij Springer, noch bij Elsevier staat dat in de accountinformatie. En, in onze recente onderhandelingen met Springer blijkt dan ook weer dat sommige tijdschriften wel automatisch worden toegevoegd en andere weer niet. Zo konden we voor dit jaar bij Springer een ‘ update’ collectie aanschaffen. Voor extra kosten uiteraard. Maar dat zit maar heel weinig bij wat voor ons interessant is. Dus dan ga je toch maar weer die hele lijst doorvlooien om titel voor titel te bekijken wat voor ons interessant is. Ik begrijp wel dat die uitgevers in pakketten hun titels willen verkopen, liever dan titel voor titel, maar omdat de selectie dan bij hen ligt worden het heel vreemde collecties. Voor een algemene, brede universiteitsbibliotheek is zo’n jaar-updatecollectie nog wel handig misschien, maar voor de meeste toch ook niet lijkt me.
Met de basis onderwerpsgerichte collecties heb ik ook moeite omdat wij, als ecologisch instituut, qua onderwerp vallen onder Biomedisch. Nou, daar zit een bulk aan geneeskunde bij, die niemand hier wil inzien. En in de Statistische collectie zitten een paar praktische tijdschriften over statistische- en computertoepassingen, maar zoveel echt wiskundig dat het ook niet meer interessant is.
We maken nu zelf nog een lijst tijdschriften voor ons intranet met een naar ons idee nuttige selectie uit de tijdschriften, maar de A-to-Z lijst wil je toch ze ruim mogelijk hebben. Zonder geneeskunde zitten er nu meer dan 4200 titels in.
Omdat wij pakketten hebben, hebben we toegang tot de tijdschrifttitels, die volstrekt onbekend zijn. Bij overgang van de ene uitgever naar de andere krijg je dan een berichtje als: ‘ u had altijd een abonnement op deze titel, kosten zoveel euro voor voortzetting’ en dan kost het mij weer een hoop uitzoekwerk waar dat nou weer vandaan komt.
En dat met het eigendom is ook vreemd. Zo merk ik nu dat bij Springer, de jaarovergang niet goed lukt. Maar we hebben geen toegang meet tot geen enkel tijdschrift, ook niet voor de jaargangen die we wel betaald hebben. Dat zal wel weer goed komen, maar dat is toch bedenkelijk.
Daar staat dan weer tegenvoer dat we van sommige tijdschriften ineens toegang hebben tot alle backfiles, en dat is ook weer prachtig.

22 dec 2008

Science Fiction

Zelden lees ik science fiction verhalen. En als ik het dan een keer doe, zoals vorige maand, toen ik Fahrenheit 451 las, dan ik het jaren nadat het gepubliceerd is. Inmiddels is dan de toekomst werkelijkheid geworden en het geschetste beeld een beetje lachwekkend.


In Wikipedia wordt het boek als volgt beschreven;
Fahrenheit 451 (1953) is een dystopisch sciencefictionboek geschreven door Amerikaans schrijver Ray Bradbury. Het speelt in een wereld waar boeken verbannen zijn, en kritische gedachten worden onderdrukt. De titel refereert aan "de temperatuur waarop boekpapier vlam vat en verbrandt". 451 graden Fahrenheit is ongeveer 233 graden Celsius.
De verhaallijn in het boek behandelt problemen die in de tijd van schrijven belangrijk waren: censuur en onderdrukking van gedachten en ideeën in de jaren 50 in de Verenigde staten (McCarthyisme), het verbranden van boeken in nazi-Duitsland vanaf 1933 en de verschrikkelijke gevolgen van het gebruik van een atoombom."

Het boek is dus al ouder dan ikzelf ben en je mag toch verwachten dat de door Bradbury beschreven ‘denkbeeldige wereld’ (dystopisch) geen bewaarheid is geworden.
Maar ik vond dat er beklemmend veel van wat hij beschrijft in de huidige maatschappij is terug te vinden: iedereen die met oortelefoontjes in met elkaar communiceert en nieuws vergaard, onpersoonlijke medische benadering, huiskamerwanden met televisieschermen waarop soapfiguren zich als ‘familie’ voordoen en de nivellering van gedragingen en meningen.
Boeken moeten verbrand worden omdat het nutteloze dingen zijn, die niet bijdragen aan sociaal aanvaard gedrag. De clou blijkt dan uiteindelijk dat de ideeën, waar het om gaat niet verbrand kunnen worden, zoals de media waarop ze gedrukt zijn.

Afgelopen weekend lees ik in de december special van M, maandblad van NRC Handelsblad over ‘De toekomst’. Vooral de column van Joost Zwagerman trok mijn aandacht. Hij heeft het over boeken in 2040:
“Het is niet onwaarschijnlijk dat boeken in 2040 jaar zin verschraald tot museale voorwerpen”
en even verder zegt jij (hij heeft het over zijn zoontje dat dan net zo oud zal zijn als hijzelf nu is):
“Zal hij sowieso nog wel lezen of bestaan er in 2040 een soort virtuele ‘influisteraars’ die via een ultrakleine computer die vlak onder ons schedeldak is aan te brengen allerlei nieuwsfeiten en fictieve verhalen direct naar ons brein zenden?”

Wat nou, science fiction , Joost. Dat bedacht Bradbury al meer dan vijftig jaar geleden.
Maar gelukkig wordt de soep nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend, en het zal ook vast niet zo extreem zijn als Bradbury of Zwagerman het zich voorstelt.

Gelukkig heeft prof. José van Dijck in dezelfde NRC M een heel wat relativerende benadering:
“Het is nog nooit gebeurd dat een nieuw medium het oude volledig verving.”
en
“De vraag is niet zozeer wat we fysiek kunnen ontwikkelen, maar welke gebruikssituaties een ontwikkeling laten slagen”.

Als er dan al echte ‘influisteraars’ ontwikkeld worden, moet dat wel aanslaan er moet een cultuur ontstaan waarin dat prettig te gebruiken is. Hoop ik dan maar.

Voorlopig maar geen science fiction voor mij. Misschien moet ik maar weer eens een ‘gewone’ roman lezen.

15 dec 2008

Blogkermis: facilileiden

En toen was het weer kermis: Essen2punt0 heeft een blogkermis geopend met als thema; Blogkermis: van professioneel consument naar producent.
Ze vraagt zich af of we als bibliotheekmensen meer moeten produceren i.p.v. consumeren:

“Maar we zijn veel minder goed in het produceren van eigen content of in het vertalen van content naar onze eigen versie daarvan. Is deze cultuuromslag nodig om aansluiting te krijgen bij onze veeleisende klanten en wie zou dat moeten doen? Moeten we dat überhaupt wel doen?
Of is het juist nodig om te zoeken naar partners in crime die die slag al gemaakt hebben? Ofwel: moeten we consuminderen, produmeerderen of zijn er nog andere opties die er voor ons liggen?"

Bibliothecaris is een ‘dienstverlenend’ beroep. Nou mag je tegenwoordig het woord ‘dienstverlening’ niet meer gebruiken. De opleiding is ook al van de D in IDM afgestapt.
Waarom die angst/afkeer voor het begrip ‘dienstverlening’?
Ik denk omdat vele mensen dat – bewust of onbewust – verwarren met ‘onderdanigheid’ en daaruit volgt een passieve, volgende houding. En die zie je inderdaad volop bij veel – oude EN jonge – collega’s. Eind vorige eeuw was er de roep om mee pro-actief te zijn (heb overigens nooit het verschil tussen gewoon actief en pro-actief begrepen).
Een fors deel van de collega’s kon daar prima in mee gaan, was van nature al onderzoekend en innoverend bezig. Want dat gaat nl. prima samen met ‘dienstverlening’.
Als dienstverlener faciliteer je de gebruiker bij het zoeken, vinden en verwerken van informatie en je probeert ze te begeleiden bij hun informatietaken.

Wat mij betreft heeft een bibliothecaris/informatieprofessional niet zo veel met produceren, maar meer met begeleiden en richting geven.
Maar het kan geen kwaad om van een faciliterende houding, meer actief begeleidend te zijn. Daarom stel ik voor om meer te facilileiden:)

3 dec 2008

Ebookreaders lezerservaringen

Onze Cybook en onze Iliad zijn een tijdje op test geweest bij medewerkers. Hoewel beide positieve ervaringen ermee hebben blijft er toch een voorkeur voor het papieren boek.
Wat zijn hun specifieke aandachtspunten:
Cybook:
- rustig scherm, (wellicht is ledje voor als het donker is bij bushalte handig),
- lange batterijduur
- inclusief mp3
- licht gewicht i.p.v. een berg papier
- geen overzicht, zoals je dat meteen bij een papieren boek hebt
- verschuiving van bladzijde als je plotseling dichtklapt (bijv. om over te stappen) (wellicht is lock mogelijk)
- aanbod boeken qua prijs en soort gelijk met papieren
- geen meerwaarde voor pc-programma’s (tekstverwerking, internet)
- pdf manipuleringen zouden beter kunnen
Iliad:
- fijn lezen op scherm in zon en schaduw
- beetje dun, waardoor krampachtig handhouding
- opstarttijd te traag
- notities maken kan verder ontwikkeld worden, vooral wissen is lastig
- makkelijk inlezen en starten
- lange batterijduur
- aanpasmogelijkheden in breedte om leesbaarheid te vergroten, oppassen met bladeren (wellicht instellen van een soort lees draft en/of automatische aanpassing optimaal tekstbeeld
Zelf vind ik het lezen van leesboeken op de Cybook of ILiad in de vakantie erg fijn. Wetenschappelijke teksten gaan niet, daar heb ik me al bij neergelegd. Vanochtend probeerde ik nog eens een officieel e-book ’Zen tot Done’ van Leo Babauta te lezen, maar dat pdf-formaat zorgt toch voor een onzuiver of onleesbaar beeld. Daar zou echt aan gewerkt moeten worden.

2 dec 2008

Evaluïtis

In de weekendbijlage van de NRC stonden twee artikelen over het evalueren van wetenschappers, en meer in het bijzonder over het gebruik van citatiemetingen. Het eerste artikel getiteld: “Gaat de wetenschap ten onder aan de beoordeelziekte evaluïtis? Selecteer alleen de beste wetenschappers , en geef hun alle vertrouwen” is een bijdrage van Bruno S. Frey en Margit Osterloh. Vlgs NRC een bewerking van hun hoofdstuk uit het boek: ‘If youre so smart, why arent you rich? Universiteit, markt & management’ dat binnenkort bij Boom verschijnt.
Eigenlijk zegt de titel al alles: de wetenschappers staan onder druk, en onder druk kom je niet tot creatieve ontdekkingen. Daarom is het beter die druk, die evaluatie-druk, weg te nemen. Je evalueert dan bij aanstelling van bijv. een hoogleraar en laat hem zelf verder met rust, zodat hij(of zij natuurlijk) in alle rust zijn briljante ideeënkan uitwerken.
In een reactie daarop schrijf Ton van Raan van CWTS: ‘Klinkt aardig, maar zonder evaluaties is zo'n selectie onmogelijk: Met dank aan evaluaties is aan de universiteiten veel dor hout weggekapt. Maar het evalueren gaat door, wegens het gebrek aan geld ...”.
En zegt hij de enkele geniale wetenschapper wordt met of zonder evaluaties wellicht toch niet her- en erkend, dan pas veel later. Hij noemt daar het voorbeeld van Semmelweis, voor wie erkenning erg lang op zich liet wachten.
Het is wel weer een aardige discussie, want citatierapporten en evaluaties roepen inderdaad altijd veel emoties op. Buiten dat men zo hoog mogelijk wil scoren, is er ook veel kritiek op het systeem van citatiescores, zowel van de citatiescore voor de tijdschriften (impactfactoren) als de citatiescore voor wetenschappers (h-index).
Persoonlijk vind ik het een moeilijke kwestie, vooral als je ziet en hoort dat de competitie bij bijvoorbeeld het binnenhalen van beurzen en subsidies zo groot is. Eigenlijk vereist dat toch een speciale fondsenwervers-competentie. En dat hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met een goed onderzoeker. Maar een beetje meer vertrouwen mag van mij best.

Aanvulling dec 4: wederom in de NRC las ik gisteren, onafhankelijk van bovenstaand verhaal, het bericht dat de competitie onder wetenschappers harder gaat worden. Er wordt minder 'algemene'subsidie verstrekt aan universiteiten voor onderzoek wat de zittende onderzoekers voor hun rekening kunnen nemen, maar er wordt meer geld beschikbaar gesteld voor onderzoek dat verdeeld gaat worden via NWO. Onderzoekers kunnen strijden om (een deel van) dat geld. Ongetwijfeld zal toekenning daarvan voor een deel gebaseerd zijn op citatiescores. Frey & Osterloh blijven roepende in een score-woestijn.

20 nov 2008

2e Workshop Management of Scientific Data

Voor de tweede keer dit jaar reis ik af naar Oostende ter begeleiding van de workshop Training Management of Scientific Data, bedoeld voor promovendi van ons instituut. De noodzaak tot gestructureerd werken en een goed gedocumenteerde manier van het opslaan en omgaan met datasets wordt steeds belangrijker. Nu al vragen sommige uitgevers om , samen met het indienen van een wetenschappelijk artikel, inzage van de bijbehorende dataset. Maar ook voor het instituut zelf is het van belang dat onderzoekers hun data goed gedocumenteerd opslaan.
Vandaar de inrichting van een NIOO-data-portaal en deze workshop. In principie is dit een ‘inhaal’ workshop. Straks hopen we alle nieuwe promovendi al aan het begin van hun onderzoekstraject de kennis en vaardigheden uit deze cursus mee te geven.
Waar gaat het om? Kernbegrippen zijn: metadata en zorgvuldigheid.
Zorgen dat je altijd alle basisgegevens, eenheden, instrumenten e.a. parameters helder beschreven hebt, zodat de bestanden uiteindelijk geen zoekplaatje worden. Maak een geordende spreadsheet, of nog beter een goed gestructureerde – relationele – databank.
Naast presentaties over het belang van metadata, repositories en archiveren, doen we oefeningen met MS Access en met het MDA, het Marine Data Archive. MDA is een product van het VLIZ, en het NIOO-data-portaal is opgezet in een MDA-omgeving.
Naar aanleiding van de evaluatie van de 1e workshop zijn er wat aanpassingen gedaan, zodat het geheel iets dynamische wordt. Wel vraag ik me af of de keerzijde van zorgvuldigheid noodzakelijkerwijs ook saaiheid is:)
De groep, hoewel eveneens bestaand uit een internationaal gezelschap jongeren (twintigers) reageert heel anders dan de juli-groep. Wonderlijk toch hoe dat telkens weer anders is.
Straks thuis rustig evalueren en bedenken hoe we volgend jaar hiermee verder gaan, maar dat we een stap vooruit zijn gekomen is zonder meer een feit.

6 nov 2008

Druk is dood


Het boek dat als leidraad had kunnen dienen bij de Academische boekconferentie is het boek “Print is dead: books in our digital age” van Jeff Gomez! Deze man heeft visie en beschrijft in een goed gedocumenteerd en prettig leesbaar verhaal de positie van het boek.
Het BOEK als idee en het boek als papier tussen 2 kaften.
Ideeën laten zich niet temmen in een bepaald format. Een idee wil naar buiten en gelezen, gehoord en besproken worden. En of dat in de vorm van gedrukt papier is of op een beeldscherm, op een iPod of PDA of via een bandrecorder of TV, dat maakt niets uit.
Het leven van vandaag, in de eenentwintigste is grotendeels een digitaal leven. Zeker de jongere generatie heeft geen weet meer van een wereld zonder computer en zonder Internet. Hun wereld is enkel nog digitaal. [Ikzelf als ‘oude garde’ lees nog gewoon de gedrukte krant ’s ochtends bij mijn ontbijt]. Nieuws, verhalen, school- en studieteksten alles gaat op en via de computer.
Gomez beschrijft de jongere generatie als ‘generatie download’ ( opgegroeid met Napster en andere muziek downloads) en de nog jongere als ‘generatie upload’ (deelnemen in sociale netwerken, uitwisselen van tekst, foto, video etc.). Deze kinderen zijn ‘totally wired’, zijn gewend om informatie en ontspanning in kleine stukjes en brokjes tot zich te nemen, lijden aan een soort van “acquired attention deficit disorder” en hebben altijd en overal elektronische gadgets bij zich. Zij leven in een wereld van ‘delivery on demand’: niks naar Amazon.com gaan, een boek bestellen en dan 1 week wachten tot het komt. Als ze al willen lezen willen ze het nu en onmiddellijk en in stukjes. Geen grote lineaire verhalen meer en liefst multimediaal. Een boek, met een begin, midden en eind past niet in die wereld. Een boek dat gedrukt is op papier kan ook niet zomaar in een andere vorm gegoten worden, zodat het met een ander apparaat gebruikt kan worden (e-bookreaders, computer, iPod).
Gomez weet de oorspronkelijke mislukking van het e-book in de jaren negentig, of eigenlijk de uitblijvende doorbraak ervan, aan het te dicht willen blijven zitten op het oorspronkelijke vorm van het gedrukte boek. Het had in die zin geen toegevoegde waarde, niemand zat erop te wachten.
Mooi is zijn vergelijking met Fahrenheit 451 van Bradbury over boekverbrandingen: boeken werden niet verbrand om wat erin stond, maar omdat het niemand iets kon schelen. Het boek was allang uit de belangstelling verdwenen.


Het boek als statisch object heeft geen nieuwe markt, pas als je optimaal gebruik gaat maken van de nieuwe mogelijkheden van linken, modulair lezen, digitaal, kopieerbaar formaat, multimediaal en community-vormend dan komt er een nieuwe dimensie bij en gaat het e-book de wereld veroveren.
Niet alleen lezen is aanpassen, ook schrijven is dat. De lezer doet mee met de schrijver in weblogs en sociale netwerksites rondom een boek. En schrijvers die zich daar niet aan kunnen en willen aanpassen worden uiteindelijk vergeten. “New writers will have to embrace not only new techniques of online promotion and participation, but will also have to embrace the new literary forms which digital reading and delivery make possible.”
Het gedrukte boek blijft wel bestaan vlg. Gomez, maar uiteindelijk meer als een vorm van kunst, dan als een informatiemedium. Kijk naar kaarsen zegt hij, die dienen niet meer voor verlichting, maar voor sfeer.
Een inspirerend boek!
En ik geloof ook dat hij gelijk heeft. Je ziet steeds meer dat boeken een begeleidende website hebben, dat auteurs in Hyves/My Space /website-, maar ook real-life-omgevingen discussierondes organiseren. En inderdaad, mijn allergrootste probleem met de e-bookreaders was juist dat het formaat nog teveel gericht is op de aloude vorm van het boek/pdf, en niet als een dynamisch interlinked geheel word (kan worden) gepresenteerd.
Gomez heeft een website rondom zijn boek en een weblog. Blijf ik zeker volgen, nu eerst naar Bradbury's boek.

Print is dead: books in our digital age / Jeff Gomez. Macmillan, 2008. ISBN 9780230527164.