5 sep 2016

De toekomst van het vak

Op de laatste dag van augustus 2016, een zeer warme dag, naar een 'kennis-update'middag geweest van KEI-IP.
KEI-IP is een stichting die poogt een certificeringsregister op te richten voor informatie-professionals om vakbekwaamheid en imago te bewaken.

De eerste bijeenkomst was een 'ronde-tafel-conferentie' op 25 januari 2015 in Amsterdam.
Daar werd wel duidelijk dat certificeren en imago-behoud voor informatieprofessionals nog niet zo eenvoudig is. Zeker niet in het kader van de opleidingen. [Het zijn perslot de bibliotheek- en documentatieopleidingen zelf die het imago en beroepsbeeld van de bibliothecaris afgebroken hebben.].

Enfin, ik ging erheen omdat ik wel achter het idee van een certificering en imago-bewaking sta (mijn idee was dat dat een opgave is van met name de beroepsvereniging, maar helaas heb ik daar nooit een poot voor  aan de grond gekregen en de NVB wist ook niet hoe gauw ze hun naam – en imago- moesten ruilen voor zo iets onduidelijks als KNVI) .
Tijdens mijn masteropleiding aan de UvA heb ik eens een werkstuk gemaakt over de ‘toekomst van de informatieprofessional’ gebaseerd op een onderzoekje in personeelsadvertenties in het vakblad (destijds Open, nu IP). Dat was in 1999. Ik heb daar zelfs een presentatie van gemaakt.
In 2007 heb ik al eens een ‘track’gevolgd bij eenNVB-congres getiteld Het VAK: 
En in 2012 heb ik eens geopperd een Register Bibliothecarisop te richten, n.a.v. de roep om meer ‘agile’ vakgenoten.

Maar de materie is tamelijk weerbarstig. Ook de eerste bijeenkomst van de KEI-IP stichting  was een poging om althans een inventarisatie te maken, maar erg ver kwamen ze nog niet.
Dus nu anderhalf jaar later een update en wel in Den Bosch. 

Het register is er nog niet, maar er wordt hard aan gewerkt.
Een aantal opleidingen, met name part time opleidingen (de full time opleidingen bda, later idm zijn immers al lang weggewerkt) werkt mee, zoals GO-opleidingen, VHIC, Docis-DIOR, Becis en de full time opleidingen Media, Informatie en Communicaite in Amsterdam, en ook in Den Haag is de idm onder een andere naam nog actief (onder welke naam weet ik niet meer).

Heel aarig was de introductiefilm die Frank Hendriks gemaakt had, waarin hij een aantal voorzitters van beroepsverenigingen interviewt. Een drietal had positief gereageerd en wildeook een mening geven over het cerificeren: Wesseling (KNVI): is hulpmiddel, Fluyt (NVBA) is noodzakelijk vw kwaliteitskeur, Keijspers (BRAIN) is niet nodig, want selecteer zelf in sollicitaties nauwkeurig.
De film en ook de rest van de voordrachten wordt nog openbaar gemaakt.

Vervolgens heb ik een aantal alleraardigste presentaties bijgewoond, bijv. die van Gertjab van Heist over Big data, over de trends en wat het voor ons vak (en dus de opleiders) betekent.
De trends opgedeeld in clusters:

-       production in dienstenvorm (saas)
-       Internet of things (smart)
-       Data capitiliseren (bi, warehouse )
-       E-life (leven online)
Technologies die mogelijkmaken: big data, connectedness, artificial intelligence (zelflerend)
 De centrale vraag is : hoe zorg je dat mn goede data verbonden wordt : door databeveiliging
De data- industrie, dat is data veredeling  : 4 groepen grote spelers die dat spel spelen
: data beheer, software, dataleverantie, gratis diensten
Additionele diensten ontstaan  tussen grote spelers en de markt; en grote spelers geven daar ruimte voor(add on).
Verantwoordelijkheid ip'er  blijft zelfde = essentie, Wat verandert zijn de middelen, de vorm.
IP wordt meer inkoopmanager,  en er is een grote rol van standaarden, meer coordinatiepunt.

Vervolgens spreekt Erik Kokke over 'informatieheld', ip'er als houder voor information overload en filter failure. Wel aardig is zijn gebruik van mentimeter waarmee we kunnen antwoorden met smartphone en de antwoorden terugzien in een woordenwolk.  
"Toegevoegde waarde is niet wat je doet, maar het resultaat: bijv.  excellente beoordeling instituut.".


En als uitgeleide van de middag kwam Peter Noorhoek met een keynote over brachekwaliteit van beroepsorganisaties. Aardig is zijn vergelijking van "de bibliothecaris" met "de notaris"; resp. vroeger hoog resp. laag gewaardeerd, zonder toezicht resp. met toezichthouder en nu in status gestegen. 

Toch weer een leerzame middag! 
De lezingen en informatie worden door Kei-ip nog bekend gemaakt.


4 jul 2016

De worsteling met online boeken

E-books, het lijkt zo handig: ik lees ze op mijn telefoon, op mijn iPad mini en op mijn e-reader.
Leesboeken geen probleem. Met je OB-abonnement kun je heel gemakkelijk e-books lenen, die netjes na verloop van de uitleentermijn weer van je apparaat verdwijnen.

Maar wat betreft het wetenschappelijke boek, dat is een heel andere kwestie. Er zijn genoeg gedigitaliseerde, of zelfs digitally-born e-books. De meest zijn opgedeeld in een pdf per hoofdstuk.
En daar begint het probleem al.
De pdf is eigenlijk een zeer onhandig formaat, want het is slecht schaalbaar en door de gewoonte op een wetenschappelijke tekst in kolommen op te maken, eindigt het meestal in een kleine ramp, om te proberen een pdf op een telefoon of tablet te lezen. Ook de bijbehorende grafieken en tabellen komen slechts moeizaam uit de verf.

Sinds ik in 2007/2008 me er intensief mee heb beziggehouden is er eigenlijk niets veranderd.
De wetenschappelijke uitgevers willen het liefst in bulk verkopen en dan niet als eigendom, maar als licentie, d.w.z. zolang je je jaargeld betaald, mag je het boek lezen, daarna niet meer.
We hebben een aantal jaren een goede overeenkomst gehad met Springer over een drietal subjectcategorieën, maar door de veranderende licentievoorwaarden en de stijging van de prijs is het voor ons niet meer haalbaar.  Temeer ook daar de subjectcategorieën tamelijk arbitrair zijn samengesteld en voor ons een enorme bulk ruis opleveren. [Wij vallen bijv. in de categorie 'biomedisch' waardoor je veel en veel meer medische literatuur krijgt dan enkel bio-].

Een poging om bij Oxford University Press een e-book overeenkomst te sluiten is mislukt. Het aanbod was te onvriendelijk, beperkte zich tot een aantal bladzijdes en printen c.q. downloaden was onmogelijk.

Bij Elsevier heb ik wel een aantal afzonderlijke boeken kunnen kopen. Maar de e-bookwinkel van Elsevier verandert steeds. Begin dit jaar was er sprake van een nieuwe opzet. En omdat ik een boek zag dat ik wilde hebben heb ik het besteld begin februari 2016.  Twintig mails en 4 maanden later is de toegang (juli 2016) geregeld.

In het afgelopen voorjaar hebben we een trial gehad op een e-bookplatform van Proquest. Daar kun je, in theorie, de e-books online lezen en ev. aanschaffen. Maar uiteraard kunnen zij niet onder de beperkende voorwaarden van de uitgevers uit. En het is bovendien allemaal zo ongemakkelijk en gebruikersonvriendelijk opgezet, dat een dagelijks gebruik geen realiteit kan zijn.

Die ervaringen geven de burger zeker geen moed. Als je dan op de website van een uitgever leest dat het op iedere e-reader te lezen is, maar wel met een DRM-beveiliging, dan weet je al dat het een ontoegankelijk boek is. Een geprinte uitgave is dan veel flexibeler. De meeste boeken worden bij ons dus nog steeds hardcopy gekocht.

Dus helaas, nu 7 jaar na eerste introductie van e-books, is er nog steeds geen goede methode om wetenschappelijke boeken in de bibliotheek aan te bieden.

Het voornaamste positieve op het gebied van e-books zijn de digitaliseringen van oude boeken, zoals de boeken van Darwin, van Sybille Merian, de Nederlandsche Vogelen en de hele Biodiversity Heritage Library.

29 feb 2016

Seminar Maatschappelijke impact van onderzoek inzichtelijk maken

 Seminar Maatschappelijke impact van onderzoek inzichtelijk maken

De aftrap werd gegeven door Lieke van Fastenhout met een historisch overzicht over het ontstaan van het SEP. SEP stamt uit 1993 en is nu in de 4e editie. Er zat altijd al een component ‘valorisatie’in, maar gaandeweg is dat ‘societal relevance’geworden.
Via diverse overlegorganen is ‘societal relevance’ nader onderzocht, zoals ERiC (EvaluatingResearch in Context) en SIAMPI (Social Impact Assessment Methods for research and funding instruments through the study of Productive Interactions between science and society.)
Er zijn adviesrapporten verschenen van KNAW en Rathenau, en ook OCW heeft zich in het ‘hoofdlijnenakkoord’ hierover uitgesproken. (zie ook wetenschapsvisie).
Daar is een raamwerk uitgekomen, waarbij de outputindicatoren door de universiteiten en onderzoeksinstellingen zelf gekozen kunnen worden. In dit raamwerk staat de ‘narrative’ centraal, maar die wordt ondersteund door ‘evidence’.
# In UK is overzicht van ‘effective narratives’ #

Fabian Pruisen van Zonmw sprak zeer kort en bondig over de criteria waarop subsidie wordt toegekend. Dat is n.a.v. relevantie van project dat wordt aangevraagd en niet zozeer vanwege de geconstateerde ‘societal relevance’ van het instituut. Antwoord op de vraag wat het nu eigenlijk betekent als je goed scoort op ‘societal relevance’. Niets dus!

Enige praktijkvoorbeelden volgen.
Theo Jetten van de WUR over, wat hij noemt ‘Knowledge Transfer’. Het doel is vooruitkijken op basis van verleden. Op een drietal onderwerpen moeten worden gerapporteerd:
Producten. Gebruik. Erkenning en dat zowel wetenschappelijk en maatschappelijk.
In 2015 zijn een aantal groepen op deze manier geëvalueerd en zowel de uitkomsten als de ervaringen waren zeer divers. Over het algemeen bleek het een worsteling met de vraag hoe ermee om te gaan,  zowel wat betreft omvang als wat betreft relevantie.

Ook Gepke Uiterdijk van het AMC verhaalt van de worsteling met indicatoren voor societal relevance. Uiteindelijk hebben ze het sterk vereenvoudigd, zodat er uiteindelijk nog 7 indicatoren overbleven (Clinical guidelines, policy reports, books, internet patient community, societal grants/rewards, patents, use in diagnostics). Er was overigens een goede deelname, waarvoor ze wel erg hun best gedaan hebben o.m. door uitreiking van de  “AMC societal impact award”.
# over de wetenschapsagenda: Veel vragen over reeds bekende onderwerpen, dus er schort nog wat aan informatie aan bredere publiek.#

Ingeborg Meijer (nu CWTS) vertelde over een onderzoek in Lumc in 2008. Hieruit bleek een soort controversie tussen relevantie versus kwaliteit. Uiteindelijk was de conclusie: Kwaliteit =relevantie +interactie. En er werd geconcludeerd dat er géén relatie is tussen wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke kwaliteit.

Ad Prins ziet ‘societal relevance’ als productieve interactie, te meten via contextuele response analyse .
De gebruikelijke systemen (zoals Pure) zijn niet geschikt, want zij zijn nog een afgeleide van wetenschappelijk onderzoek. Het bestaat uit een woekering van categorieën die precisie suggereren die niet bestaat.
Zijn betoog:
1. Relevantie kun je zichtbaar maken
2. Maatschappelijke relevantie van onderzoek ligt soms al besloten in wetenschappelijke output
3. Andere categorisering output nodig: – Sociale & Geesteswetenschappen (SSH) – “Toegepaste” wetenschappen
4. Dilemma: meer categoriën = meer last
5. Denkrichting voor aanpak: tools & simplicity

Armand Guicherit (als vertegenwoordiger van de NL Pure User Group)  over de Impact Module in Pure. Die is 9nog) niet in gebruik.  Het uitgangspunt daarbij zijn de ‘narratives’, die hoeven / moeten niet te gedetailleerd te zijn. Armand heeft als test REFnarratives uit UK geprobeerd opnieuw in te voeren in de Pure impact module.
Conclusie: Registratie in Pure kan maar:
– Lijkt in hoofdzaak afgestemd op UK REF model
– Impact kan gerelateerd worden aan andere Pure entiteiten; maar duiding is wellicht problematisch
– Niet gekeken naar requirements HORIZON 2020
– Rapportage/export mogelijkheden lijken onderontwikkeld

Bianca Kramer over hun onderzoek naar  innovatie in wetenschappelijke communicatie   en over altmetrics .  In april volgen de resultaten van de enquête naar welke tools er nu ook echt gebruikt worden. Eén van haar stellingen:  Assessment niet alleen na publicatie, maar ook tijdens.

Het Panel van sprekers zal met de zaal discussiëren over stellingen:
1) Stelling:  Maatschappelijke impact van onderzoek inzichtelijk maken is de verantwoordelijkheid onderzoekers.
- Het hoort in de opleiding, ook instelling heeft een taak hier in. Niet alleen zenden niet alle onderzoek kan meteen maatschappelijk relevant zichtbaar worden gemaakt. Ook financier vraagt erom al meteen bij aanvraag . Coördinatiepunt inrichten:) . Is Pure de best oplossing?
2) Stelling: In hoeverre is een vrije narrative de best oplossing, format per discipline?
- Er moet vrijheid van invulling blijven, maar met richtlijnen. Afhankelijk van de doelstelling van de evaluatie moet er bewijs aan ten grondslag liggen. (stelling 3 is niet behandeld wegens tijdgebrek)
4) Wie bepaalt welke indicatoren gebruikt worden.
- In principe wordt dat door de Universiteit (=sbestur-)en bepaald, maar ook beleidsmakers hebben daarin een woordje te zeggen.

Er lijkt een duidelijke behoefte te bestaan aan bruggen tussen onderzoeker en beleid.  De worsteling met indicatoren lijkt alom tegenwoordig en er klinkt een roep om vereenvoudiging. Wordt vervolgd!

1 okt 2015

Landelijk Research Data Management

NWO organiseerde op 10 september 2014 een 'landelijke bijeenkomst Datamanagement'



Waarom deze bijeenkomst: uit de uitnodiging
“ Vragen van NWO bij de voorgenomen introductie van een dataparagraaf en een datamanagementplan in subsidieaanvragen zijn onder andere:
-          * waarmee confronteert NWO onderzoekers eigenlijk als datamanagement wordt ingevoerd;
-          kunnen aanvragers voldoen aan dergelijke eisen;
-          * zijn de universiteiten, hun bibliotheken en overige data-archieven zo ver dat zij datamanagement al faciliteren?"
  Opmerkelijk is het woordgebruik: datamangement vs datastewardship en eigenaarschap van data blijkt grote vraag. Ook data in de vorm van research objecten, niet alleen digitale data, van very big data vs long tail data en de FAIR eisen aan data (Findable, Accessible Interoperable and Re-usable).
En over het Frontoffice-Backoffice model van RDNL en het model van FNU. Het is een verschil in perspectief. Mar wat in beide ontbreekt is een visie op saneren en goed governance.
NWO wil aansluiten bij de praktijk, aanmoedigen maar niet sturen. Er moet een open cultuur komen en meer samenwerking en expertisebundeling in coöperatief model.  Het is NWO, die kaders schept en RDM subsidiabel maakt. Het landschap is nog te verbrokkeld: er zijn allerlei losstaande initiatieven maar er is coördinatie nodig, een Dutch Data Governance Plan nodig.

Het verslag en de presentaties staan op de Research Data Wiki:
“ De landelijke bijeenkomst Datamanagement werd afgesloten met een plenaire sessie waarin werd nagedacht over de vervolgstappen die nodig zijn. Hieruit kwamen de volgende punten:
·         Behoefte aan meer dan samenwerking alleen, nodig is het beleggen van een regiefunctie
·         Behoefte aan een duurzaam financieringsmodel voor datamanagement
·         Behoefte aan een expertisepunt voor b.v. juridische kennis / taakverdeling obv specifieke expertises
·         Verder ontwikkelen van de geïdentificeerde competenties van onderzoekers (rol voor regieorgaan?)
·         Afstemmen van de diverse DM-talen
·         Opstellen van een gezamenlijke catalogus van nationale en internationale, publieke en private DM diensten/voorzieningen “
En dat vervolg is gekomen mede naar aanleiding van een brief die de stuurgroep SOV (Onderzoek en Valorisatie) naar SURF stuurde met het verzoek om een landelijke coördinatiepunt research data op te zetten om het research data management beleidsmatig tussen en binnen de universiteiten beter te managen. Daartoe heeft Surfsara een eerste inventarisatie (quickscan) en stappenplan (roadmap) opgesteld om te komen tot een Landelijke Coördinatiepunt Research Data Management. Niet alleen met de universiteiten ook met onderzoeksinstellingen, KNAW, NWO, TNO, RIVM e.d.
Er zijn interviews gehouden en er is een werksessie geweest, waarbij stakeholders de eerste resultaten bespraken op 21 september jl. Een gezamenlijk platform is in oprichting bij Edugroepen.