26 feb. 2013

Kennis over publiceren

Eind 2012, om precies te zijn op 18 december 2012 nam ik deel aan de discussiebijeenkomst "Kennis over Publiceren "van De Jonge Academie. De Jonge Academie had een enquête uitgevoerd onder haar leden en dat in boekvorm gepubliceerd, met als doel dat er een breder beeld zou ontstaan over de publicatietradities en meetinstrumenten in de verschillende wetenschappelijke disciplines. Vooral de wat uitgebreidere interviews met enkele geselecteerde leden van de Jonge Akademie geven een goed overzicht van de verschillen in publicatiegewoonten en evaluatie-instrumenten per discipline. Zo is het alom bekend dat in de geesteswetenschappen veel meer in boeken wordt gepubliceerd dan in - internationale - tijdschriftartikelen, terwijl in de levenswetenschappen dat laatste eigenlijk de enige meetellende factor is. Ik lees hierin nu ook dat voor juristen sommige annotaties als wetenschappelijk werk gelden. Ook aardig is om te lezen het verschil in auteursvermelding: dat kan alfabetisch (medisch), aflopend naar inspanning (biologie) dan wel volstrekt not done om begeleiders als medeauteurs op te nemen (geschiedenis). Iedereen is het er wel over eens dat alleen het kijken naar de kwantitatieve gegevens zoals citatie-cijfers en impact-factoren een vertekend beeld geeft. En hoewel dat voor sommige (bèta) wetenschappen best wel waarde heeft, vinden de meeste toch dat er meer naar kwalitatieve en inhoudelijke criteria gekeken moet worden. Alle geïnterviewde onderzoekers spraken over de NWO-beoordelingsmethodieken voor het toekennen van subsidie. Dat is uiteraard een moeilijke zaak, want zelfs als het zonder kwantitatieve gegevens wordt bekeken dan nog is de vraag of vernieuwend onderzoek als zodanig herkend wordt.

De discussiebijeenkomst begon met een vraagspel, waarbij aan de aanwezigen een viertal vragen werd voorgelegd, waarbij telkens een lid van De Jonge Akademie het thema van de vraag in het kort inleidde. De discussie werd geleid door wetenschapsjournalist Martijn van Calmthout (volkskrant).
[NB de exacte vraagstelling weet ik niet meer, hieronder staan de vragen bij benadering omschreven]
1). Wat vind je zelf je beste publicatie: vernieuwend onderzoek of dat wat goed is (geweest) voor je carrière?
2). Wat zijn goede meetinstrumenten?
3). Wat zijn de tradities met betrekking tot auteursvermeldingen?
4). Heeft tijdsbesteding nog een invloed op de uiteindelijke waardering?


De meeste aanwezigen vonden als antwoord op vraag 1) het vernieuwend onderzoek het belangrijkst. Vernieuwend onderzoek wordt niet gestimuleerd door citatie-indexen, maar uiteindelijk wordt echt innovatief onderzoek wel degelijk een citation classic, aldus Clevers. Bert Weckhuysen bepleit dan ook een twee-sporen-beleid: "zet je wilde ideeën niet meteen overboord", maar steek naast het risicovolle onafhankelijke onderzoek ook een deel van je onderzoek in robuust en conventionele activiteiten.
Terwijl citatie-indexen en reputatiescores van uitgevers (impact-factor en reputatie boek-uitgevers) een grote rol spelen bij de beoordeling van onderzoek (svoorstellen), vinden de meeste aanwezigen 2). peer review het beste meetinstrument. De discussie gaat daarna wel - tamelijk heftig zelfs, over 'open peer review' vs anoniem peer review, waarbij enkele niet fraaie staaltjes van kwade wil bij peer reviewers gememoreerd worden. Auteurschap is belangrijk voor beoordeling: Hilde Bras spreekt over teamverband, de omvang team, het soort publicatie en de taakverdeling, auteursvermelding moeten meer naar contextspecifieke criteria beoordeeld worden. Ook valorisatie (outreach) en zitting in peer review commissies zouden moeten meetellen voor beoordeling. Tijdsbesteding als zodanig is niet van invloed op de waardering van een onderzoek, wel is het zo dat naar mate je loopbaan vordert je andersoortige taken krijgt, meer bestuurlijk en als docent/begeleider. Weckhuysen heeft een mooie uitsmijter: schoolvorming is wat je aan de maatschappij aflevert, niet alleen publicaties, maar een richting in je wetenschap!.

Geen opmerkingen: