31 okt. 2007

CWIS Hendrikx ' Schrijven voor het web'

2000 jaar schrijven voor het web door Willem Hendrikx (bureau Hendrikx Van der Spek) auteur van: Schrijven voor het beeldscherm (1999-2007, 4e druk), Sdu Handboek intranet (2004), Sdu.
Hendrikx stelt een aantal vragen: Is schrijven voor het web nu wel zo anders dan schrijven voor een ander medium? Is het web wel een medium? Is het zinvol om contentleveranciers te trainen in de kunst van het webschrijven? Is goedgeschreven content nu echt bepalend voor het succes van een site of intranet? Eigenlijk concludeert hij is het verschil met schrijven op het papier en schrijven voor het beeldscherm niet zo groot. Zeker niet wat betreft woord- en zinslengte en lengte van de tekst, dan is doel en doelgroep meer bepalend. De structuur is wel duidelijk anders, op het scherm moet het belangrijkste eerst. Ook zegt hij bestaat er niet zoiets als interactieve tekst, de omgeving en de hyperlinks kunnen wel maken dat het geheel interactiever is. Op papier kun je aantekeningen maken. Voor het web moet je wel gebruik maken van bondige tekst met veel tussenkopjes. Maar zou dat ook niet handig zijn voor teksten op papier? Niet iedereen is het met hem eens en hoewel er wel een trend lijkt te zijn naar het gelijktrekken van web- en papieren teksten, zijn nog veel deelnemers er van overtuigd dat je toch een ander soort tekst op het beeldscherm moet presenteren. Ook bij de andere presentaties en de oefeningen blijkt toch weer dat er andere eisen worden gesteld aan beeldschermteksten.
Maaar ik ben het wel met Hendrikx eens dat er een verschuiving aan de gang is.
Als je bijvoorbeeld nu een oude krant uit de 19e eeuw wilt lezen dan valt je op hoeveel tekst en dan nog echt grote lappen tekst er zelfs op de voorpagina staan. Langzaam zie je dat over de tijd veranderen zodat nu het gewoon krant lezen ook meer een zappend lezen is dan een lineair lezen.
Hetzelfde geldt voor folders, berichten en aankondigingen. Een boek is een ander verhaal, dat lees je wel van voor tot achter door. Ik denk dat we nu nog in een soort overgangssituatie zitten waarbij je nog wel die aanpassingen moet maken.
Overigens besluit Hendrikx met de opmerking dat je beeldschermteksten naar papier niet hoeft te vertalen, maar andersom (papieren teksten naar beeldscherm) wel.
Dat lijkt me juist.
Intrigerend is de opmerking hoe je dat doet met grotere lappen tekst op het scherm, lees je die vanaf het scherm. Ik niet ik print ze en lees dan en de meerderheid van de aanwezigen beaamde dat. Maar jongeren (niet aanwezig) printen nooit meer zegt H. Is dat zo???
*
Internet is een drager een platform met daarop een mix van media. Op Internet presenteren instellingen al veel meer informatie dan in gedrukte vorm aanwezig is. Uit de reacties te horen was daar niet iedereen mee eens, maar ook hierbij is de tendens duidelijk dat veel handleidingen, instructies, voorlichtingsmaterialen alleen nog digitaal aanwezig zijn. Er blijft nog een verschil met publiceren op Internet vs publiceren op papier: op Internet kan iedereen zelf en snel publiceren, terwijl op papier het door een professional wordt vormgegeven en uitgevoerd. De meeste problemen bij websites en intranetten worden veroorzaakt door een onderbroken stroom van de contentleveranciers, dat weer komt door een gebrekkige motivatie en een klantonvriendelijk CMS (aldus Hendrikx). Je kunt medewerkers (=contentleveranciers) motiveren door ze meer structuur te geven, een duidelijke productielijn. En “ zorg voor passie en committent, werk met early adaptors en beloon ze” . Tsja dat is allemaal makkelijker gezegd dan gedaan.

CWIS bijeenkomst oktober 2007

CWIS-NL bijeenkomst “ Schrijven voor het Web”
Nu ik in de programmacommissie zit en heb meegeholpen aan de organisatie van deze dag beleef ik het toch anders dan voorheen. Het organiseren van sprekers (2 door mij) viel niet mee, maar ik ben wel blij met het uiteindelijke resultaat. Ook de uitvoering stelde tevreden: het was een leuke dag, veel discussies en veel tips.
De agenda (en ook de presentaties) staan nog niet op de website van CWIS maar dat gaat wel gebeuren.
De agenda:
• 2000 jaar schrijven voor het web door Willem Hendrikx (bureau Hendrikx Van der Spek)
Is schrijven voor het web nu wel zo anders als schrijven voor een ander medium? Is het web wel een medium? Is het zinvol om contentleveranciers te trainen in de kunst van het webschrijven? Is goedgeschreven content nu echt bepalend voor het succes van een site of intranet?
• Journalistiek op het web, strijd tussen twee culturen door Thijs van Soest (de Volkskrant)Ik ga tijdens mijn presentatie een inkijkje geven in het dagelijkse werk van een journalist 'tussen twee media'. Oude en nieuwe media, wel te verstaan. Journalisten hebben een haat/liefde-verhouding met het Internet. Want wat te doen met een primeur als de uitzending pas om half acht 's avonds is? En wat de doen met live persconferenties of terrreuraanslagen als de krant pas morgenochtend verschijnt? Juist, daar is de website! Kort en bondig, het laatste nieuws het eerst. Maar veel journalisten van de tv of krant houden de primeurs liever voor het oude medium.
• Interactieve presentatie: Schrijven voor het Web door Etienne Donicie (Taalcentrum-VU)
Het doel van deze interactieve presentatie is in de eerste plaats de webschrijfvaardigheid van de deelnemers aan te scherpen. Centraal staat de vraag aan welke criteria een kwalitatief goede webtekst moet voldoen, en hoe de webmasters webteksten kunnen beoordelen op deze criteria.

Het geheel werd nog aangevuld met 2 korte presentatie (van UB Utrecht en van Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) over de organisatie van hun webredactie.
Ik heb geprobeerd om in korte verslagjes - sms’jes naar Twitter – de dag bij te houden. In totaal heb ik 27 sms’jes verstuurd en zijn er maar 21 aangekomen. De rest zie ik niet meer terug(de 5 laatste twitterberichtjes staan hier in de rechter zij marge.) Als je er zelf niet bij bent zijn die twitterberichtjes niet zo sprekend, maar als aantekeningen voor mijzelf en voor het schrijven van een verslag werkt het wel.
Inhoudelijk verslag volgt nog.

23 okt. 2007

Onderzoekers en de bibliotheek

Het rapport ‘Researchers’ Use of Academic Libraries and their Services’ van het RIN (Research Information Network) en de CURL (Consortium of Research Libraries) geeft een verslag van de uitkomsten uit een onderzoek onder 2250 onderzoekers en 300 bibliothecarissen over de huidige en toekomstige noden en rollen. “Currently, the majority of researchers think that their institutions’ libraries are doing an effective job in providing the information they need to do their work, but it is time to consider the future roles and responsibilities of all those involved in the research cycle – researchers, research institutions and national bodies, as well as libraries – in meeting the challenges that are coming. “

Wat is de belangrijkste conclusie van dit rapport:
- onderzoekers willen alles digitaal en dat wat zij digitaal kunnen vinden is ‘goed genoeg’,
- bibliotheek wordt erg gewaardeerd, maar de rol van bibliotheek bij digitale aanbod is onzichtbaar
“The successful research library of the future needs to forge a stronger brand identity within the institution”. En uiteraard communicatie is belangrijk.
Vooral de technologische ontwikkelingen hebben een verandering teweeg gebracht: onderzoek is e-research geworden in Virtual Research Environments, veel meer multidisciplinair en in samenwerkingsverbanden. De belangrijkste bron is het – toegankelijke – elektronische tijdschriftartikel, terwijl de printresources op hun retour zijn (en dus ook de bibliotheek als verzamelplaats voor gedrukte informatie).
Er werd de onderzoekers gevraagd naar de toekomstige rollen van de bibliothecaris en daarbij werd genoemd: bewaarders van gedrukte archieven en collecties, manager van repositories, inkopers van digitale diensten, informatie-experts (embedded in onderzoeksgroepen), docent/trainer van informatievaardigheden, dataset manager, technologisch specialist “digital library integrator”, en ook adviseur inz. copyright, ondersteuning ELO’s, manager metadata en ontologieën.
Als ik het goed begrepen heb zijn het wel voorgelegde rollen geweest waaruit de ondervraagden mochten kiezen. Het is dus geen vrije keuze geweest.
Al met al blijft het lastig om de rol van de bibliotheek/bibliothecaris duidelijk te maken, waarbij ook de naamgeving, die sterk verwijst naar de ruimte waarin gedrukte boeken staan, het niet makkelijker maakt om taken los daarvan te zien. Toch ademt het rapport een positieve geest, de bibliotheek en de bibliothecaris wordt door de onderzoekers goed gewaardeerd en in een begeleidende workshop stelde een onderzoeker zelfs dat de bibliotheek meer budget zou moeten krijgen gezien de trend van meer institutionele abonnementen ten koste van persoonlijke.

17 okt. 2007

METIS


Metis is het onderzoeksregistratiesysteem van de universiteiten. Het is ontwikkeld door het Universitair Centrum voor Informatievoorziening van de Radboud Universiteit in Nijmegen en wordt door alle universiteiten gebruikt. Metis is een Oracle databasesysteem dat functioneert samen met Macromedia Coldfusion. En is via Internet te gebruiken. Zie ook de Metis guide (handleiding) en een algemene presentatie.
Er is nu ook een Personal Metis ontwikkeld, om de onderzoeker zelf in staat te stellen zijn onderzoeken in te voeren. Die is een stuk gebruikersvriendelijker dan de ‘normale’ data entry module. De bedoeling is dat alle onderzoeksprojecten van de betreffende universiteit/instituut worden ingevoerd (metadata) indien mogelijk met een link naar een repository of een link naar de full text bij een uitgever.
Vooralsnog gaat het uit van registreren. Je kunt er publicatielijsten uit krijgen en het management kan ook cijfers eruit krijgen met betrekking tot aantallen fte’s, publicaties etc.
In een presentatie over METIS wordt nadrukkelijk gezegd dat het geen ranking weergeeft van universiteiten. Maar de managementgegevens (aantal promoties, aantal publicaties, aantal publicaties in tijdschriften met hoge impactfactor) geven uiteraard wel een indicatie.
Zover ik het nu kan overzien heeft iedereen zijn eigen systeem en is het (nog)niet met een interface doorzoekbaar. De KNAW heeft de METIS toegangen op een rijtje gezet.
Ook de KNAW zelf gaat er gebruik van maken, en wij als KNAW-instituut dus ook. Gisteren was er een bijeenkomst van de contactpersonen van Metis van de KNAW-instituten. Bij ons op NIOO in Nieuwersluis. Het lastigst met het organiseren van zo’n bijeenkomst is dat je moet afspreken wie hoe laat op het station (Breukelen) is en opgehaald moet worden. Maar daar is gelukkig altijd wel een mouw aan te passen.
Het was een wat mij betreft verhelderende bijeenkomst.
Metis wordt gebruikt voor management van onderzoeken per universiteit ev. met link naar repository. In de repository van een universiteit wordt de full text van een publicatie opgeslagen. DARE zorgt voor een schil waarmee het mogelijk is om alle repositories in een keer te doorzoeken.

15 okt. 2007

Citatierapporten


Ik ben de laatste tijd druk in de weer geweest met het maken van citatierapporten voor onze senior onderzoekers.
De citatierapporten kunnen in Web of Science gemaakt worden door simpelweg op de knop CITATION REPORT te klikken als je een zoekresultaat hebt.
In het citatierapport worden de records uit het zoekresultaat gesorteerd op volgorde van het aantal keren dat het artikel geciteerd is.
Er worden twee grafieken gepresenteerd. Een met een overzicht van het aantal publicaties over het verloop van de jaren en eentje met het verloop van het aantal citaties. Daarnaast worden samenvattende getallen gepresenteerd, zoals het totaal aantal publicaties, het gemiddeld aantal citaties per item en de h-index.


De h-index is een maat voor de prestatie van een wetenschapper. Zelf zegt J. Hirsch daarover (J. E. Hirsch, An index to quantify an individual's scientific research output, arXiv:physics/0508025), gepubliceerd in PNAS November 15, 2005:
“I propose the index h, defined as the number of papers with citation number higher or equal to h, as a useful index to characterize the scientific output of a researcher.”

In een recent artikel van Philip Ball in Nature 16 August 2007 (P. Ball. Achievement index climbs the ranks) concludeert hij dat, hoewel er veel reserves zijn omtrent de waarde van de h-index, het toch wel een aardige indicatie geeft over prestaties van de onderzoeker.

Maar onmiddellijk volgt de discussie hoe je die getallen moet interpreteren. Is een h-index van 5 ‘goed’ of moet je dan boven de 10, of zelfs boven de 15 of 20 zitten?

Hirsch zegt over de interpretatie:
“ Based on typical h and m values found, I suggest that (with large error bars) for faculty at major research universities h ∼ 10 to 12 might be a typical value for advancement to tenure associate professor), and h ∼18 for advancement to full professor. Fellowship in the American Physical Society might occur typically for h ∼15 to 20. Membership in the US National Academy of Sciences may typically be associated with h ∼ 45 and higher except in exceptional circumstances.”

Voor een overzicht van de voor- de nadelen verwijs ik naar “Wolfgang Glänzel .On the opportunities and limitations of the H-index

Overigens maak ik ze nu alleen in Web of Science en dat betekent dus met alle beperkingen die die database in zich heeft: dus geen boeken, hoofdstukken en niet in WoS opgenomen artikelen. Wat het erg lastig maakt is de beperkte zoekfunctie in WoS. (ik ben Pubmed gewend en dan is dit toch wel zoeken met gebonden handen). En omdat de zoekfunctie zo slecht is lukt het niet even gemakkelijk om een goed zoekresultaat te verkrijgen wat de basis is voor het citatierapport.
H-indexen kun je ook zelf berekenen, maar dat is erg veel werk. Via het Publish or Perish programma kun je ze ook uit Google Scholar halen (zoeken naar auteur is, zo mogelijk, nog moeilijker daar) en in Scopus.
De index wordt berekend op basis van op dat moment bekende citaties van de gevonden records. Bij miscitaties of tikfouten kan er zo ook nog wat mis gaan, bovendien moeten de citaties ook in WoS terug te vinden zijn.
Er zit een verschil in citeergedrag bij subdisciplines en soort onderzoek, waardoor onderlinge vergelijkingen niet geheel zuiver zijn. Bovendien houdt de h-index geen rekening met co-auteurschap en leeftijd
De h-index blijft onder discussie en de meest getrokken conclusie is dat het een handig instrument is maar dat het niet (incidentele) diepgaandere evaluatie kan vervangen.

Twitteren

Zojuist een Twitter account aangemaakt. De laatste vijf twitter berichtjes (zoiets als het wie,wat,waar in hyves) komen(als RSS) in de kolom hiernaast te staan.
Aanleiding was het idee van Deeboeks om gezamenlijk te gaan twitteren tijdens het NVB-congres.

1 okt. 2007

De toekomst van het wetenschappelijke artikel


Van JSTOR, de organisatie die oudere jaargangen van tijdschriften toegankelijk maakt, ontvingen we een soort feestschrift ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan. Het is getiteld ‘ JSTOR: past, present & future” en is geschreven door Michael P. Spinella. In het laatste hoofdstukje wijdt hij aandacht aan de toekomst onder de titel “Toward an online scholarly communication system”. Hij gaat hierbij vooral in op het succes van de digitalisering van de bestaande tijdschriften en de toenemende activiteit op het digitaliseren van bestaande content. Toegang is het magische woord hierbij. De vraag is of het ‘veilig/vestandig’ voor bibliotheken om hun papieren collectie de deur uit te doen. Of zoals hij zegt van ‘ownership’ naar electronically renting’ . En dan komen we bij het rechtenaspect en hoe dat soms ook voor een archiverende partij als JSTOR hinderlijk kan zijn. Maar concludeert hij, JSTOR blijft werken aan het ondersteunen van een gemeenschappelijke infrastructuur zodat de transitie van print naar elektronisch uitgeven voortgang kan boeken.

Het aardige hiervan is dat het ook helemaal uitgaat van het digitaliseren van bestaande informatie, in een vorm die gelijk is aan die gedrukte info. Specifieke, extra mogelijkheden die elektronisch publiceren biedt komen niet aan bod.
Ongeveer hetzelfde schreef John Mackenzie Owen in november 2005 in zijn proefschrift: “The scientific article in the age of digitization“.
Hij schrijft: “De kernvraag van dit proefschrift is in welke mate de opkomst van het elektronische tijdschrift heeft geleid tot het gebruik van de specifieke kenmerken van het digitale medium door de auteurs van wetenschappelijke artikelen”
Nou, niet dus. Het elektronische tijdschrift, zelfs de e-only uitgaven is qua vorm en inhoud een voortzetting van het gedrukte tijdschrift. En het zal nog wel een tijd duren voordat dat, langzame langs wegen van geleidelijkheid zal veranderen.
Mackenzie Owen: “ Samenvattend luidt de conclusie van dit onderzoek dat digitalisering van de formele wetenschappelijke communicatie tot uiting komt in aanzienlijke verbeteringen van het communicatiesysteem, maar niet in de vorm en inhoud van de wetenschappelijke informatie zelf. De belangrijkste innovaties ontstaan dan ook niet binnen de wetenschappelijke wereld, maar zijn gebaseerd op de activiteiten van wetenschappelijke bibliotheken en – vooral – commerciële uitgevers.”

Een samenvattend artikel schreef hij in de Informatieprofessional van januari 2006 onder de titel ‘De revolutie die uitbleef: elektronisch publiceren in de wetenschap'.