22 dec. 2008

Science Fiction

Zelden lees ik science fiction verhalen. En als ik het dan een keer doe, zoals vorige maand, toen ik Fahrenheit 451 las, dan ik het jaren nadat het gepubliceerd is. Inmiddels is dan de toekomst werkelijkheid geworden en het geschetste beeld een beetje lachwekkend.


In Wikipedia wordt het boek als volgt beschreven;
Fahrenheit 451 (1953) is een dystopisch sciencefictionboek geschreven door Amerikaans schrijver Ray Bradbury. Het speelt in een wereld waar boeken verbannen zijn, en kritische gedachten worden onderdrukt. De titel refereert aan "de temperatuur waarop boekpapier vlam vat en verbrandt". 451 graden Fahrenheit is ongeveer 233 graden Celsius.
De verhaallijn in het boek behandelt problemen die in de tijd van schrijven belangrijk waren: censuur en onderdrukking van gedachten en ideeën in de jaren 50 in de Verenigde staten (McCarthyisme), het verbranden van boeken in nazi-Duitsland vanaf 1933 en de verschrikkelijke gevolgen van het gebruik van een atoombom."

Het boek is dus al ouder dan ikzelf ben en je mag toch verwachten dat de door Bradbury beschreven ‘denkbeeldige wereld’ (dystopisch) geen bewaarheid is geworden.
Maar ik vond dat er beklemmend veel van wat hij beschrijft in de huidige maatschappij is terug te vinden: iedereen die met oortelefoontjes in met elkaar communiceert en nieuws vergaard, onpersoonlijke medische benadering, huiskamerwanden met televisieschermen waarop soapfiguren zich als ‘familie’ voordoen en de nivellering van gedragingen en meningen.
Boeken moeten verbrand worden omdat het nutteloze dingen zijn, die niet bijdragen aan sociaal aanvaard gedrag. De clou blijkt dan uiteindelijk dat de ideeën, waar het om gaat niet verbrand kunnen worden, zoals de media waarop ze gedrukt zijn.

Afgelopen weekend lees ik in de december special van M, maandblad van NRC Handelsblad over ‘De toekomst’. Vooral de column van Joost Zwagerman trok mijn aandacht. Hij heeft het over boeken in 2040:
“Het is niet onwaarschijnlijk dat boeken in 2040 jaar zin verschraald tot museale voorwerpen”
en even verder zegt jij (hij heeft het over zijn zoontje dat dan net zo oud zal zijn als hijzelf nu is):
“Zal hij sowieso nog wel lezen of bestaan er in 2040 een soort virtuele ‘influisteraars’ die via een ultrakleine computer die vlak onder ons schedeldak is aan te brengen allerlei nieuwsfeiten en fictieve verhalen direct naar ons brein zenden?”

Wat nou, science fiction , Joost. Dat bedacht Bradbury al meer dan vijftig jaar geleden.
Maar gelukkig wordt de soep nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend, en het zal ook vast niet zo extreem zijn als Bradbury of Zwagerman het zich voorstelt.

Gelukkig heeft prof. José van Dijck in dezelfde NRC M een heel wat relativerende benadering:
“Het is nog nooit gebeurd dat een nieuw medium het oude volledig verving.”
en
“De vraag is niet zozeer wat we fysiek kunnen ontwikkelen, maar welke gebruikssituaties een ontwikkeling laten slagen”.

Als er dan al echte ‘influisteraars’ ontwikkeld worden, moet dat wel aanslaan er moet een cultuur ontstaan waarin dat prettig te gebruiken is. Hoop ik dan maar.

Voorlopig maar geen science fiction voor mij. Misschien moet ik maar weer eens een ‘gewone’ roman lezen.

15 dec. 2008

Blogkermis: facilileiden

En toen was het weer kermis: Essen2punt0 heeft een blogkermis geopend met als thema; Blogkermis: van professioneel consument naar producent.
Ze vraagt zich af of we als bibliotheekmensen meer moeten produceren i.p.v. consumeren:

“Maar we zijn veel minder goed in het produceren van eigen content of in het vertalen van content naar onze eigen versie daarvan. Is deze cultuuromslag nodig om aansluiting te krijgen bij onze veeleisende klanten en wie zou dat moeten doen? Moeten we dat überhaupt wel doen?
Of is het juist nodig om te zoeken naar partners in crime die die slag al gemaakt hebben? Ofwel: moeten we consuminderen, produmeerderen of zijn er nog andere opties die er voor ons liggen?"

Bibliothecaris is een ‘dienstverlenend’ beroep. Nou mag je tegenwoordig het woord ‘dienstverlening’ niet meer gebruiken. De opleiding is ook al van de D in IDM afgestapt.
Waarom die angst/afkeer voor het begrip ‘dienstverlening’?
Ik denk omdat vele mensen dat – bewust of onbewust – verwarren met ‘onderdanigheid’ en daaruit volgt een passieve, volgende houding. En die zie je inderdaad volop bij veel – oude EN jonge – collega’s. Eind vorige eeuw was er de roep om mee pro-actief te zijn (heb overigens nooit het verschil tussen gewoon actief en pro-actief begrepen).
Een fors deel van de collega’s kon daar prima in mee gaan, was van nature al onderzoekend en innoverend bezig. Want dat gaat nl. prima samen met ‘dienstverlening’.
Als dienstverlener faciliteer je de gebruiker bij het zoeken, vinden en verwerken van informatie en je probeert ze te begeleiden bij hun informatietaken.

Wat mij betreft heeft een bibliothecaris/informatieprofessional niet zo veel met produceren, maar meer met begeleiden en richting geven.
Maar het kan geen kwaad om van een faciliterende houding, meer actief begeleidend te zijn. Daarom stel ik voor om meer te facilileiden:)

3 dec. 2008

Ebookreaders lezerservaringen

Onze Cybook en onze Iliad zijn een tijdje op test geweest bij medewerkers. Hoewel beide positieve ervaringen ermee hebben blijft er toch een voorkeur voor het papieren boek.
Wat zijn hun specifieke aandachtspunten:
Cybook:
- rustig scherm, (wellicht is ledje voor als het donker is bij bushalte handig),
- lange batterijduur
- inclusief mp3
- licht gewicht i.p.v. een berg papier
- geen overzicht, zoals je dat meteen bij een papieren boek hebt
- verschuiving van bladzijde als je plotseling dichtklapt (bijv. om over te stappen) (wellicht is lock mogelijk)
- aanbod boeken qua prijs en soort gelijk met papieren
- geen meerwaarde voor pc-programma’s (tekstverwerking, internet)
- pdf manipuleringen zouden beter kunnen
Iliad:
- fijn lezen op scherm in zon en schaduw
- beetje dun, waardoor krampachtig handhouding
- opstarttijd te traag
- notities maken kan verder ontwikkeld worden, vooral wissen is lastig
- makkelijk inlezen en starten
- lange batterijduur
- aanpasmogelijkheden in breedte om leesbaarheid te vergroten, oppassen met bladeren (wellicht instellen van een soort lees draft en/of automatische aanpassing optimaal tekstbeeld
Zelf vind ik het lezen van leesboeken op de Cybook of ILiad in de vakantie erg fijn. Wetenschappelijke teksten gaan niet, daar heb ik me al bij neergelegd. Vanochtend probeerde ik nog eens een officieel e-book ’Zen tot Done’ van Leo Babauta te lezen, maar dat pdf-formaat zorgt toch voor een onzuiver of onleesbaar beeld. Daar zou echt aan gewerkt moeten worden.

2 dec. 2008

Evaluïtis

In de weekendbijlage van de NRC stonden twee artikelen over het evalueren van wetenschappers, en meer in het bijzonder over het gebruik van citatiemetingen. Het eerste artikel getiteld: “Gaat de wetenschap ten onder aan de beoordeelziekte evaluïtis? Selecteer alleen de beste wetenschappers , en geef hun alle vertrouwen” is een bijdrage van Bruno S. Frey en Margit Osterloh. Vlgs NRC een bewerking van hun hoofdstuk uit het boek: ‘If youre so smart, why arent you rich? Universiteit, markt & management’ dat binnenkort bij Boom verschijnt.
Eigenlijk zegt de titel al alles: de wetenschappers staan onder druk, en onder druk kom je niet tot creatieve ontdekkingen. Daarom is het beter die druk, die evaluatie-druk, weg te nemen. Je evalueert dan bij aanstelling van bijv. een hoogleraar en laat hem zelf verder met rust, zodat hij(of zij natuurlijk) in alle rust zijn briljante ideeënkan uitwerken.
In een reactie daarop schrijf Ton van Raan van CWTS: ‘Klinkt aardig, maar zonder evaluaties is zo'n selectie onmogelijk: Met dank aan evaluaties is aan de universiteiten veel dor hout weggekapt. Maar het evalueren gaat door, wegens het gebrek aan geld ...”.
En zegt hij de enkele geniale wetenschapper wordt met of zonder evaluaties wellicht toch niet her- en erkend, dan pas veel later. Hij noemt daar het voorbeeld van Semmelweis, voor wie erkenning erg lang op zich liet wachten.
Het is wel weer een aardige discussie, want citatierapporten en evaluaties roepen inderdaad altijd veel emoties op. Buiten dat men zo hoog mogelijk wil scoren, is er ook veel kritiek op het systeem van citatiescores, zowel van de citatiescore voor de tijdschriften (impactfactoren) als de citatiescore voor wetenschappers (h-index).
Persoonlijk vind ik het een moeilijke kwestie, vooral als je ziet en hoort dat de competitie bij bijvoorbeeld het binnenhalen van beurzen en subsidies zo groot is. Eigenlijk vereist dat toch een speciale fondsenwervers-competentie. En dat hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met een goed onderzoeker. Maar een beetje meer vertrouwen mag van mij best.

Aanvulling dec 4: wederom in de NRC las ik gisteren, onafhankelijk van bovenstaand verhaal, het bericht dat de competitie onder wetenschappers harder gaat worden. Er wordt minder 'algemene'subsidie verstrekt aan universiteiten voor onderzoek wat de zittende onderzoekers voor hun rekening kunnen nemen, maar er wordt meer geld beschikbaar gesteld voor onderzoek dat verdeeld gaat worden via NWO. Onderzoekers kunnen strijden om (een deel van) dat geld. Ongetwijfeld zal toekenning daarvan voor een deel gebaseerd zijn op citatiescores. Frey & Osterloh blijven roepende in een score-woestijn.

20 nov. 2008

2e Workshop Management of Scientific Data

Voor de tweede keer dit jaar reis ik af naar Oostende ter begeleiding van de workshop Training Management of Scientific Data, bedoeld voor promovendi van ons instituut. De noodzaak tot gestructureerd werken en een goed gedocumenteerde manier van het opslaan en omgaan met datasets wordt steeds belangrijker. Nu al vragen sommige uitgevers om , samen met het indienen van een wetenschappelijk artikel, inzage van de bijbehorende dataset. Maar ook voor het instituut zelf is het van belang dat onderzoekers hun data goed gedocumenteerd opslaan.
Vandaar de inrichting van een NIOO-data-portaal en deze workshop. In principie is dit een ‘inhaal’ workshop. Straks hopen we alle nieuwe promovendi al aan het begin van hun onderzoekstraject de kennis en vaardigheden uit deze cursus mee te geven.
Waar gaat het om? Kernbegrippen zijn: metadata en zorgvuldigheid.
Zorgen dat je altijd alle basisgegevens, eenheden, instrumenten e.a. parameters helder beschreven hebt, zodat de bestanden uiteindelijk geen zoekplaatje worden. Maak een geordende spreadsheet, of nog beter een goed gestructureerde – relationele – databank.
Naast presentaties over het belang van metadata, repositories en archiveren, doen we oefeningen met MS Access en met het MDA, het Marine Data Archive. MDA is een product van het VLIZ, en het NIOO-data-portaal is opgezet in een MDA-omgeving.
Naar aanleiding van de evaluatie van de 1e workshop zijn er wat aanpassingen gedaan, zodat het geheel iets dynamische wordt. Wel vraag ik me af of de keerzijde van zorgvuldigheid noodzakelijkerwijs ook saaiheid is:)
De groep, hoewel eveneens bestaand uit een internationaal gezelschap jongeren (twintigers) reageert heel anders dan de juli-groep. Wonderlijk toch hoe dat telkens weer anders is.
Straks thuis rustig evalueren en bedenken hoe we volgend jaar hiermee verder gaan, maar dat we een stap vooruit zijn gekomen is zonder meer een feit.

6 nov. 2008

Druk is dood


Het boek dat als leidraad had kunnen dienen bij de Academische boekconferentie is het boek “Print is dead: books in our digital age” van Jeff Gomez! Deze man heeft visie en beschrijft in een goed gedocumenteerd en prettig leesbaar verhaal de positie van het boek.
Het BOEK als idee en het boek als papier tussen 2 kaften.
Ideeën laten zich niet temmen in een bepaald format. Een idee wil naar buiten en gelezen, gehoord en besproken worden. En of dat in de vorm van gedrukt papier is of op een beeldscherm, op een iPod of PDA of via een bandrecorder of TV, dat maakt niets uit.
Het leven van vandaag, in de eenentwintigste is grotendeels een digitaal leven. Zeker de jongere generatie heeft geen weet meer van een wereld zonder computer en zonder Internet. Hun wereld is enkel nog digitaal. [Ikzelf als ‘oude garde’ lees nog gewoon de gedrukte krant ’s ochtends bij mijn ontbijt]. Nieuws, verhalen, school- en studieteksten alles gaat op en via de computer.
Gomez beschrijft de jongere generatie als ‘generatie download’ ( opgegroeid met Napster en andere muziek downloads) en de nog jongere als ‘generatie upload’ (deelnemen in sociale netwerken, uitwisselen van tekst, foto, video etc.). Deze kinderen zijn ‘totally wired’, zijn gewend om informatie en ontspanning in kleine stukjes en brokjes tot zich te nemen, lijden aan een soort van “acquired attention deficit disorder” en hebben altijd en overal elektronische gadgets bij zich. Zij leven in een wereld van ‘delivery on demand’: niks naar Amazon.com gaan, een boek bestellen en dan 1 week wachten tot het komt. Als ze al willen lezen willen ze het nu en onmiddellijk en in stukjes. Geen grote lineaire verhalen meer en liefst multimediaal. Een boek, met een begin, midden en eind past niet in die wereld. Een boek dat gedrukt is op papier kan ook niet zomaar in een andere vorm gegoten worden, zodat het met een ander apparaat gebruikt kan worden (e-bookreaders, computer, iPod).
Gomez weet de oorspronkelijke mislukking van het e-book in de jaren negentig, of eigenlijk de uitblijvende doorbraak ervan, aan het te dicht willen blijven zitten op het oorspronkelijke vorm van het gedrukte boek. Het had in die zin geen toegevoegde waarde, niemand zat erop te wachten.
Mooi is zijn vergelijking met Fahrenheit 451 van Bradbury over boekverbrandingen: boeken werden niet verbrand om wat erin stond, maar omdat het niemand iets kon schelen. Het boek was allang uit de belangstelling verdwenen.


Het boek als statisch object heeft geen nieuwe markt, pas als je optimaal gebruik gaat maken van de nieuwe mogelijkheden van linken, modulair lezen, digitaal, kopieerbaar formaat, multimediaal en community-vormend dan komt er een nieuwe dimensie bij en gaat het e-book de wereld veroveren.
Niet alleen lezen is aanpassen, ook schrijven is dat. De lezer doet mee met de schrijver in weblogs en sociale netwerksites rondom een boek. En schrijvers die zich daar niet aan kunnen en willen aanpassen worden uiteindelijk vergeten. “New writers will have to embrace not only new techniques of online promotion and participation, but will also have to embrace the new literary forms which digital reading and delivery make possible.”
Het gedrukte boek blijft wel bestaan vlg. Gomez, maar uiteindelijk meer als een vorm van kunst, dan als een informatiemedium. Kijk naar kaarsen zegt hij, die dienen niet meer voor verlichting, maar voor sfeer.
Een inspirerend boek!
En ik geloof ook dat hij gelijk heeft. Je ziet steeds meer dat boeken een begeleidende website hebben, dat auteurs in Hyves/My Space /website-, maar ook real-life-omgevingen discussierondes organiseren. En inderdaad, mijn allergrootste probleem met de e-bookreaders was juist dat het formaat nog teveel gericht is op de aloude vorm van het boek/pdf, en niet als een dynamisch interlinked geheel word (kan worden) gepresenteerd.
Gomez heeft een website rondom zijn boek en een weblog. Blijf ik zeker volgen, nu eerst naar Bradbury's boek.

Print is dead: books in our digital age / Jeff Gomez. Macmillan, 2008. ISBN 9780230527164.

27 okt. 2008

Springer's MyCopy


In de NRC van vrijdag 24 oktober heeft redacteur Jan Benjamin de nieuwe dienst van Springer MyCopy beschreven. Volgens Benjamin wordt dat volgende maand geïntroduceerd. Het artikel in NRC heeft als titel: ‘Kredietcrisis? Wij zitten in een groeimarkt’: Hoe topman Haank uitgever Springer van elektronica weer teruggaat naar papier. In het elektronisch krantenarchief van NRC kon ik het nog niet terugvinden.
Op 9 oktober is er al een persbericht uitgegaan in New York en Berlijn: “Springer launches MyCopy”.

Wat houdt dat in: bij de uitgever Springer kun je e-books kopen in een pakket: per jaar of in een onderwerpspakket. Er zijn dertien onderwerpen gedefinieerd. [Helaas zul je bijna altijd vinden dat voor jou interessante boeken in meerdere pakketten zitten: aantal voor ons interessante boeken zitten in Biomedical and Lifesciences, Earth and Environmental Sciences en Mathematics, maar nog veel meer van de boeken uit die pakketten zijn helemaal niet interessant voor ons].
Enfin, de universiteitsbibliotheken zijn in ieder geval genoodzaakt bijna alle pakketten af te nemen. Als je dan zo’n e-book in de bibliotheek hebt aangeschaft dan kunnen je lezers dat e-book online benaderen. Met de nieuwe MyCopy dienst zou een –geregistreerde gebruiker – datzelfde e-book dan ook voor een laag bedrag (USD 25,-) kunnen laten afdrukken via een print-on-demand service.
Dus bijvoorbeeld als je een pakket afneemt voor bijvoorbeeld 10.000 euro, dan kunnen al je gebruikers online bij de boeken uit dat pakket en voor nog eens 25 dollar kunnen ze dan een –eenvoudig – gedrukte versie ervan voor persoonlijk gebruik krijgen.
Overigens kun je ook voor 25 dollar een hoofdstuk kopen uit een niet al reeds aangeschaft boek.
Volgens Haank in de NRC heeft Springer een oplossing gevonden voor het probleem dat boeken zo’n onaantrekkelijk bedrijfsmodel hebben “Elk boek is een product op zich”, en daarom hebben ze de boeken nu ‘vertijdschrift’. Dus ze worden geleverd in abonnementvorm met hoofdstukken als artikelen.
En dus zitten wij, als we dat doen met 80% boeken waar we wel voor betalen, maar die we niet willen. Lekker bedrijfsmodel is dat. Zo kan Springer, over de portemonnee van kleine bibliotheken (bedrijven en particulieren) toch nog flinke winst maken.
Overigens heb ik in SpringerLink de mogelijkheid van MyCopy nog niet gezien.

20 okt. 2008

Veranderingen

Verandering is denk ik van alle tijden. In Romeinse tijden gingen mensen naar de openbare bibliotheek, omdat daar werd voorgelezen uit boeken /manuscripten (heb ik een scriptie over geschreven). In mijn jeugd gingen we naar een parochiebibliotheek, waar de bibliothecaris ons een zijns inziens geschikt boek ter lezing overhandigde. En vorige week liep ik in de centrale openbare bibliotheek van Amsterdam. Heerlijk ruimtelijk, overal zitjes en mensen (met tassen) en boven koffie drinken met uitzicht op de stad. Altijd heeft de bibliotheek zijn functie gehad. En uiteraard gaat de verandering, of zo je wilt modernisering bij de een sneller dan bij de ander. Zelfs hier bij de OBA zie je het verschil tussen de centrale bibliotheek en de filialen.
Ook in de wetenschappelijke onderzoeksbibliotheek waar ik werk is dat veranderingsproces gaande: wij hebben geen papieren tijdschriftabonnementen meer, terwijl een collega-instituut uit de alfawetenschappelijke hoek nog een omvangrijke papieren collectie onderhoudt.
Dat kan allemaal prachtig naast elkaar bestaan. Zeker als je nog verder nuanceert. Zo hebben wij geen papieren tijdschriften meer, en zijn we begonnen met online boeken, maar daarnaast hebben we een kleine 2000 boeken, die nu uitgeleend zijn. Op een populatie van 200 mensen vind ik dat nog verrassend veel. Dus ook wij zijn hybride bezig.
Of eigenlijk moet ik zeggen: in transitie. Een van de Infokits van JISC gaat over ‘change management’. N.a.v. de OCN2008 wilde ik eens kijken wat dat verandermanagement is. Ik lees bij JISC dat er een verschil is tussen ‘change’ en ‘tansition’, waarbij het bij transitie gaat over het interne heroriëntatieproces gaat. Change is meer een verandering van de externe omgeving.
Transitie is mijn antwoord op de stelling van Jan voor de blogkermis:
"De nieuwe bibliotheek verschijnt aan de horizon terwijl de oude bibliotheek nu al door z'n hoeven zakt".Transitie bestaat uit drie fasen: Endings (loslaten van het bekende) – Neutral Zone (exploratiefase tussen huidige en toekomstige staat) – New Beginnings (commitment en identificatie met het nieuwe).
Lijkt me een aardige beschrijving van de ontwikkeling die de bibliotheken doormaken. Zeker de onzekerheid en verwarring in de Neutral Zone is kenmerkend voor de huidige staat van veel bibliotheken (en bibliotheekmedewerkers).
Maar zoals iemand op de Academische boekconferentie zei:” Het paard is allang niet meer het belangrijkste vervoermiddel in de huidige maatschappij, maar toch zijn er meer paarden dan ook te voor.”
Daarom een fotootje van Kareltje van 2 jaar geleden toen hij nog een puber-veulen was.


E-books toekomst

Terwijl tijdens de conferentie over de toekomst van het academische boek de meeste uitgevers en sprekers zich nog helemaal sterk maakten voor het gedrukte boek, is de opmars van het e-book toch echt niet te stoppen. Voor wie het nog eens wil nalezen: een aantal lezingen staat op de Amsterdam Wereldboekenstad site.
In een enquete van de Frankfurter Buchmesse bleek dat de meerderheid de komende 5 jaar het gedrukte boek nog dominant was, dat rond 2018 e-book belangrijker zullen zijn in de verkopen dan print.
Ook JISC heeft een survey uitgevoerd onder studenten en staf van hoger onderwijsinstellingen in UK. Daar komt onder meer uit dan het lezen van een heel boek van het scherm – iets wat de gedrukte-boek-aanhangers verwerpen – niet ongebruikelijk is, ja zelfs al de meerderheid doet:

Although reading e-books exclusively from the screen becomes less popular as a function of age, this is still the dominant preference for scholars of all age groups, right up to retirement. Just over 53 per cent of e-book users (staff and students) say they only read from the screen, even in the 56-65 age bracket.
Maar waar tekstboeken uitsluitend nog een elektronische rol spleen wordt er toch nog veel geleend uit de bibliotheek. Verrassend genoeg vonden de JISC onderzoekers dat bibliotheekbezoek om een boek te lezen of in boeken te browsen het aantal malen dat ze de online bibliotheek bezoeken overtreft.

As noted everywhere these days, many staff have deserted the physical library, preferring the online experience, although obviously not in all disciplines. This broad generalisation does not yet apply to students. Despite the fact that the virtual library is only a click or two away, students still visit the bricks and mortar facility more frequently than they go online. And, surprise, surprise, they overwhelmingly do this to borrow or browse books. This comes far ahead of other activities, including using the library as study space.
Overigens heeft JISC een ‘national e-book observatory’ en daar lees ik dat ze een nieuw onderzoek gaan doen naar de verschillende business modellen voor e-books. Leuke site overigens, die ga ik volgen.
In eWeek verscheen een artikel waarin Gerry J. Purdy beschrijft dat de e-books in de vorm van e-books zoals ze in e-bookreaders worden gebruikt de hele markt zullen veroveren. Hij begint met de zeggen dat pas als e-bookreaders een betere manier van lezen kunnen bieden ze de strijd zullen winnen:
eBook readers are not going to be successful until they offer book lovers a better, more worthwhile and enjoyable reading experience than traditional paper-bound books do today.En vervolgens somt hij in 15 punten op wat er allemaal nog moet worden verbeterd. Behalve formaat en interface heeft hij het ook over de mogelijkheid notities te maken, kosten en business modelleb, DRM en draadloze communicatie. Hij zelf schat dat in 2025 de helft van de gelezen boeken e-boeken zijn.

Enfin, wat mij betreft moet er nog iets veranderen aan de pdf, of in algemene zin aan het formaat. Als ik in mijn e-bookreaders een pdf inlaadt, zijn de vaste PDF’s of the klein of te moeilijk om deels te vergroten, en de variabele PDF’s die je in Mobypocket formaat kunt zetten verminken de bijbehorende tabellen en grafieken.
Maar ongetwijfeld zal een verdere ontwikkeling en verbetering van de e-bookreaders een verschuiving laten zien van print naar e-book. Daar ben ik ook van overtuigd.

Hattip: Sue Polanka’s weblog No Shelf Required

13 okt. 2008

Academisch boek Conf, Carpenter

Philip Carpenter van Wiley-Blackwell over soorten e-books. [Gisteren zat ik tijdens het toetje met hem aan tafel en hij vertelde dat Wiley nog steeds een familiebedrijf is met Mw Wiley actief in de leiding].
STM loopt voorop en SSH volgt. Kijk naar de elektronische tijdschriften. Er wordt nu al zo'n 10 jaar digitaal gepubliceerd. Elektronische artikel wordt eerder gepubliceerd dan op print en met meer features. Monografieen zijn er bijna niet meer en toegang is door 'big deals' bijna universal. Is dat dan ook de toekomst van de sociale en geesteswetenschappen?
Hoewel het online uitgeven van tijdschriften is de printversie nog steeds gebleven. De uitgever heeft daarom geen voordeel door het verlaten vasn drukken en verspreiden, terwijl er wel geinvesteerd moet worden voor de elektronische versie.
Datzelfde geld voor boeken: er zou alleen maar financieel voordeel te halen zijn als print volledig zou verdwijnen. Maar print is nog springlevend.
Een van de alternatieve is het weghalen van de uitgever zoals de Open Access beweging wil. Met self-publishing is een uitgever al helemaal niet meer nodig. Kijk bijv. naar de experimenten van sommigen van de University Presses (ANU), die kunnen worden gedownload en met POD als print besteld. Blijkt dat download cijfers gigantisch zijn. En er is geen editor, marketeerof wat dan ook nodig en ze kunnen het met een kleine staf af.Maar Carpenter vraagt zich wel af of het viabel is.
E-books worden door met name bibliotheken gestimuleerd, vw het gemak van hantering daarvan. Maar vinden de gebruikers het ook? Zie ook de ebook studies van de Universitiet van Rochester. Sommigen haten het andere houden ervan; lezen kan beter van gedrukte boeken, iets opzoeken van elektronische. ook Carpenter gaat dus voor een gemengde toekomst.
Bij tekstboeks en naslagwerken is de elektronische versie wel voordelig. Nu verschijnt een tekstboek al vaak met een additionele website, en meer en weer worden complete onderwijspakketten online aangeboden. Ook naslagwerken, als begin bij het beantwoorden van opdrachten.
Wat ziet Carpenter als toekomst: Er komt heel veel meer online, de toegankelijkheid ervan hangt af van het prijsmodel voor de e-books. Of het digitale book overheersend wordt hangt af van de soort. Tekst en naslagwerken zullen volledig digitaal worden. Introductieteksten zullen digitaal worden, maar wetenschappelijke werken zullen naast online beschikbaar ook print beschikbaar blijven.

Academisch boek Conf. Thompson

Thompson schreef 'Books in a digital age' in 2005. n van het millenium was de algemene tendens, dat het boek zou verdwijnen zoals ook de LP verdwenen is. Maar dat is zo helemaal niet gelopen. Het gaat de social life of the book. ' There are numerous social worlds of the book'.
Vanuit de 'research space' komt als output artikelen en boeken, die weer input vormen voor verder onderzoek. Het uitgeven is een vorm van disseminatie, maar ook van certificering. Het maakt ook carrieres. De uitgevers zijn de risico-nemers in de supply chain van het wetenschappelijke boek. Oplages zijn dramatisch gedaald. Daar hebben de uitgevers specifieke copings strategieen voor gevonden. Boeken zijn het slachtoffer geworden van de strijd tussen bibliothecarissen en uitgevers over de scherp gestegen prijzen van de tijdschriften.
Uitgevers hebben enorm geinvesteerd in het digitaliseren van het proces. Uitgeven is eigenlijk het manipuleren van een digitaal document/database = boek. Waarom is de 'content delivery' dan tot op heden nog niet gelukt?
Voordelen zijn: gemak, updates, pertinent scale, zoek mogelijkheden, intertexuality, multimedia. Op al die manieren kun je waarde toevoegen aan de inhoud. Maar niet alle content is hetzelfde en eindgebruiker wil ook niet altijd dezelfde oplossing.
Belangrijkste probleem is meer economisch en cultureel dan technisch. Het is ook belangrijk om niet in het wilde weg digitale boeken aan te bieden, maar een coherent geheel met voldoende schaal en focus (pertinent scale).
De toekomst is waarschijnlijk gemengd, niet alles zal een-op-een gedigitaliseerd worden.

Academisch boek Conf. Van Raan

Over bibliometrie en de rol van boeken daarin. Kwaliteit van onderzoek wordt bepaald door anderen (peer review) en citatie-onderzoeken worden geschoond van zelf-citaties.
Citaties is nog niet meteen kwaliteit. Web of Science sub-universe uitbreiden met andere bronnen zoals bijv. Medline (source expansion) en met externe citaties (target expansion).
Wetenschap is een netwerk van publikaties (nodes) die met elkaar verbonden zijn door citaties (edges).
Voor normalisatie nodig: CPP,(citaties per publikaties) JCSm (per tijdschriften) FCSm (per veld). Een wetenschappelijke veld is een verzameling van tijdschriften, of in andere definties clusters van concept-related publications (mapping of science = datamining).
WoS dekt bijna 100% van biologie en dat loopt sterk terug naar minder dan 40% voor Kunst en geesteswetenschappen. Dus de gebruikelijke technieken zijn niet voor alfa's te gebruiken. Zelfs binnen geesteswetenschappen is er nog een groot verschil, en wat er niet is opgenomen zijn de boeken, aldus van Raan. (HEFCE )
Maar als je kijkt naar het tabelletje voor de Spinoza prijs, dan zie je dart er toch nog heel wat boeken een rol spelen. Wel t meest in geesteswetenschappen, maar ook in bijv. biologie zijn boeken nog redelijk belangrijk.
Als je kijkt naar de tijd van de impact dan is het verschil tussen fysica (4 jaar) en sociologie (tientallen jaren, blijft op n plateau).
Maar zelfs in fysica worden boeken nog veel geciteerd, zo bleek uit een onderzoek waarbij gekeken w erd naar de beste publikaties in bepaalde vakgebieden en daarvan de referenties van de niet-WoS publikaties (dat zijn vaak boeken).
Maar ook Library Catalogue Analysis is een goede aanvulling op het reguliere bibliomnetrische onderzoek.
Hij verwacht t meest van Google Scholar dat ze over een jaar of vijf ook met opname van boek en referenties zal komen. In WoS en Scopus is de unificatie van een boekreferentie een lastig issue.

Academisch boek Conf. Westermann

Mariet Westermann: Neither dodo nor dog but horse: the evolution of the multi-media book.
Ze praatover haar rapport 'Art history and its publications in the electronic age', ook een digitale publikatie. Met name illustraties zijn een probleem, van peperdure copyright tot en met de kwaliteit van de kleuren.
Zal het later eens lezen, de link geeft nu XML-errors.
Ze leest het allemaal erg saai voor, en lijkt me ook geen nieuw standpunt, Tuurlijk zijn illustraties belangrijk voor een kunsthistorisch onderzoek. Er zijn nog geen bekende economische modellen om digitaal te kunnen publiceren.

Academisch boek Conf. Van Oostrom

Frits van Oostrom over ' the book and the academicpolicy making'.
Laat belangrijkste Heinekenprijswinnaars zien met hun belangrijkse publikaties: betawetenschappers publiceren in tijdschriften en geesteswetenschappers in boeken.
Maar ook in alfa wordt gebruik gemaakt van digitale mogelijkheden. Van Oostrom zelf heeft in zijn website 'Stemmen op schrift' gebruikt gemaakt om, naast de publikatie van zijn boek alle aantekeningen doorzoekbaar te maken en zelfs Middeleeuwse voorlezingen te laten horen.En hij heeft ook commentaren en nagedachten opgenomen.
Het boek is dus niet alleen nostalgie, maar juist dynamisch en open door gebruik van digitale middelen.Het boek is nog steeds de gouden standaard in deze wetenschapstakken.
Dat heeft te maken met de scope en scale van deze wetenschappen. Ze kunnen niet zo makkelijk reductionistisch te werk gaan.
Neemt als voorbeeld 'Herftij der middeleeuwen' (waning of the middle ages)van Huizinga, dat nog steeds en veel meer wordt gedrukt en gelezen. Quote van Derek Bok president Harvard University Commencement Speech 2007, over het belang van de geesteswetenschappen en dat die een andere benadering nodig hebben dan de beta's.
Van Oostrom zegt dat het van belang is om het verschil te zien voor universiteits-besturen, met het oog op de bibliomnetische gegevens en de kwaliteits-onderzoek, en de bibliotheken.
De bibliotheken moeten blijven investeren in de aanschaf van boeken en die niet offeren aan meer tijdschriften.
Om het juiste niveau van infrastructuur (en voor humanities is dat ook boeken) te behouden is niet alleen een financieele zaak,maar veelal ook een psychologische. Bibliotheken moeten aantrekkelijk en toegankelijk zijn en vooral niet te veel in de kelders opslaan. Het onderscheid tussen het snelle elektronische aanbod en het aanbod van oude en nieuwe boeken zou meer geintegreerd moeten worden aangeboden. De houding van de docenten is van het grootste belang om studenten niet bibliofoob te maken. Voor de nieuwe generatie heeft het wetenschappelijke boek zijn vanzelfsprekendheid verloren.
Maar waarom het boek perse een gedrukt boek moet zijn daar heeft hij niet echt een goed antwoord op. Zeker boeken in de geesteswetenschappen, die veel tekst bevatten kunnen m.i. prima gelezen worden op een e-bookreader. Het is juist de tabellen en grafieken die e-bookreaders onbruikbaar maken (tot nu toe dan, er zal heus wel een ander bruikbaar format komen).

Academisch boek Conf. de Swaan

Abram de Swaan over de boek als 'tangible memorial' of beter als 'material remains' .
Darnton (Robert D ' The new age of the book' in the New York Review of Books 1999) waarschuwt over het einde van het boek en ziet het nieuwe boek op Internet Hij beschrijft een boek die een andere manier van lezen vraagt: horizontaal en verticaal, met links en doorverwijzingen, plattegronden e.d. Maar zo hebben mensen altijd al gelezen. Met een hele stapel boeken open, wisselend van stukje lezen hier en daar en als je de weg kwijt raakt ga je weer terug naar de originele tekst, of in moderne taal je klikt op 'Home.
De Swaan leest zij tekst op van een elektronisch device, een e-bookreader, zodat ik – ik zit halverwege – voornamelijk op zijn witte haardos kijkt. Slechts af en toe kijkt hij in de zaal in. Geen illustraties, verder niks. Erg saai!
[Darnton opgezocht en ik vind iook een artikel over 'The library in the new age' van juni 2008 in the New York Review of books.]
Hij noemt de betalingsmoeilijkheden op Internet, en de problemen van eigendom: wat blijft er van de originele manuscript als het is opgenomen in ee linkhoop. En wat blijft er voor een auteur als 'material remains' over?
En daarna legt hij de serials crisis uit: het alsmaar verhogen van abonnementsprijzen van wetenschappelijke tijdschriften en het open access verhaal. Swaan zelf heeft nooit zijn copyright overgedragen en zet alle artikelen op zijn eigen website.
Wetenschappers moeten het publikatieproces in eigen hand nemen.
In de pauze sprak ik iemand die het wel moedig van de Swaan vond dat hij de positie en functie van uitgevers ter discussie stelt.

12 okt. 2008

Toekomst van het boek

Wat is een boek? Vlgs. van Dale:

boek het; o -en 1 een samengebonden of genaaid aantal bedrukte bladen 2 hoofdafdeling ve omvangrijk geschrift: de ~en vd Bijbel 3 een ingebonden aantal bladen papier, bestemd voor aantekeningen: een aantekenboek(je); de ~en ve bedrijf de boekhouding; te ~ staan bekendstaan; buiten zijn ~je (of: zijn ~je te buiten) gaan zijn bevoegdheid overschrijden, te ver gaan

Wat is de toekomst van het boek? Vlgs. The Economist: The future of books: Now that books are digitised how will people read? Daniel Pudles 22nd March 2007
“So books that people would not traditionally read in their entirety, or that require frequent updating, are likely to migrate online and perhaps to cease being books at all”.

Ter gelegenheid van Amsterdam Wereldboekenhoofdstad wordt er een conferentie georganiseerd waarbij de toekomst van het wetenschappelijke boek centraal staat. Onder de titel: A CHALLENGE TO THE BOOK IN SCHOLARSHIP AND HIGHER EDUCATION: DODO OR DOG? willen ze op zoek gaan naar nieuwe paradigma’s over de rol van het boek voor de auteur en voor de wetenschap, publicatie- en businessmodellen voor uitgevers en de rol van de wetenschappelijke bibliotheken.
Vanavond is er een diner en een welkomstwoord van burgemeester Job Cohen en morgen is er een conferentieprogramma met presentaties en paneldiscussies.
Dus vanavond eerst – in ‘casual chic’ – naar het NH Barbizon Hotel op de kop van de Zeedijk en morgen luisteren naar sprekers in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Als ik zo om mij heen kijk en luister dan hoor ik geluiden die op een dodo-toekomst duiden: jongeren lezen niet meer (zie Fobid-lezing Schnabel op de OCN en zie ook de ‘haataanschoolboeken Hyves), alles staat op internet, gedrukte boeken zijn niet meer nodig als alles online is.
Maar ook tegengeluiden, zoals sommige ideeën kun je niet in een artikel uiteenzetten daar heb je een boek voor nodig, in sociale en geesteswetenschappen speelt boek nog een belangrijke rol, en het is onhandig om langere teksten van het beeldscherm te moeten lezen.

Ikzelf lees nog steeds boeken (ben nu bezig met ‘An Army of Davids’ van Reynolds). Waarom? Ik denk voor de verdieping, niet voor de informatie om op de hoogte te blijven of nieuws om te volgen, maar als je mee in details wil lezen over een onderwerp.
Op het instituut hebben we ongeveer 2000 boeken uitgeleend (over 200 man personeel) Dan is er toch wel vraag naar zou je zeggen. In 2007 hebben we 106 boeken aangeschaft en 44 te leen gevraagd, dus 150 boeken van extern in huis gehaald. Zelf heeft het NIOO geen boeken geschreven, maar wel 14 boekhoofdstukken, 5 bundels geredigeerd en 13 vakpublicaties (rapporten en populaire boeken) geschreven.
Verder ben ik het met Pudles uit The Economist eens: naslagwerken hoeven niet meer in gedrukte vorm en ik denk dat uiteindelijk ook de bundels wel zullen sneuvelen. Het is immers toch veel gemakkelijker om een hoofdstuk te lezen. Blijft over het lezen van een samenhangend betoog met een grotere mate van detail en verdieping. Lijkt me dat dat onbekommerd kan bestaan naast alle online varianten. En zelfs denk ik dat het – met die long tail optie van Printing on Demand – nog veel gemakkelijker wordt om voor een kleiner publiek boeken te schrijven.

Wat betreft e-bookreaders, daar heb ik zelf mee getest, en medewerkers van het instituut testen verder. Mijn conclusie is voorlopig dat het nog te vroeg is: rapporten en wetenschappelijke werken zijn niet goed te lezen op een e-bookreader (er is nog geen goed format voor), maar op vakantie met 20 leesboeken op een device scheelt enorm in kofferruimte.

9 okt. 2008

OCN2008 Nabeschouwing

Gisteren een leuke dag gehad op de Online Informatie Conferentie. Niet meer zo vernieuwend en opwindend als in de beginjaren(zie terugblik), maar toch wel interessant om collega’s en leveranciers uit het informatievak te ontmoeten. Formeel en informeel hoor je in zo’n face-to-face conferentie toch heel wat. En dus ben ik het met Jan van der Starre eens, dat een conferentie waarbij mensen lijfelijk aanwezig zijn zeer gewenst is. Niet ben ik het met hem eens dat dat ouderwets zou zijn. Dat hoeft niet, of beter gezegd dat had niet gehoeven, als de voorzieningen beter = moderner waren. Natuurlijk kun je bloggen, maar je laptop heeft wel elektriciteit nodig en die was slechts mondjesmaat voorhanden. Dat noem ik nou ouderwets. En ook kun je twitteren en op internet tijdens de presentatie zaken nakijken, maar dan heb je wel een internetaansluiting nodig, bij voorkeur een wifi. En die was alleen in zaal A voorhanden. Vroeger had je nog internetcafe’s waar mensen in de pauzes hun e-mail konden checken of iets anders konden nakijken op Internet, maar ook dat is niet meer. Dus als je een f2f-conferentie modern wilt maken dan biedt je overal in de zalen en in de gangen makkelijk toegang tot elektriciteit en overal wifi. Verder zou het natuurlijk buitengewoon leuk zijn geweest als de NVB-twitter, of de twitterfontein van Jeroen ergens groot op een muur geprojecteerd kunnen worden, dan is er optimaal communicatie mogelijk. Ook zou je als extra service mensen die niet aanwezig kunnen zijn, zich kunnen laten inschrijven voor deelname aan de online registratie van de conferentie.
Dus een moderne organisatie, nee dat was het zeker niet. Overigens vond ik toch De Doelen als lokatie prettiger. Uit de overichten op de oude OCN-sites kwam ik erachter dat in 2004 besloten is naar de RAI te gaan.
Moderne inhoud dan? Deels ja, En als ik zo om me heen heb gehoord, dan is met name het onderdeel van Bibliotheek 2.0 NING een bruisend geheel geweest. Ik vond de kennismanagementsessie die ik bijgewoond heb wel aardig en de Fobid-lezing van Paul Schnabel erg goed. Ook de aansluitende discussies/visies van de anderen vond ik wel boeiend. Maar dat we er zo tegen vijf uur gisteren uitgebonjourd werden vond ik ook niet prettig. Niet dat ik veel nieuws gehoord heb, maar soms is het inderdaad prettiger mensen iets te horen vertellen dan het allemaal maar zelf te moeten lezen.
Ik zou graag zien dat – een uittreksel van – de presentaties online beschikbaar zou komen. Maar de matige aankondigingswebsite (bij sommige onderdelen staat nog steeds: nadere informatie volgt) doet het ergste vrezen.

8 okt. 2008

Afsluiting OCN2008 informatie-overvloed

Forumdiscussie informatieovervloed of welvaart?

De boekentoren in Gent – en de virtuele boekentoren van Google nu 10 jaar – van studentikoos begin in 1998 tot 'totalitaire ambities'. Maar Sylvia van Pethegem (UB Gent) is meer bezorgd over vrijgegeven privacy in weblogs dan privacy-schending door Google. Ze ontmaskert enkele fabels over het scannen en de praktijken van Google Books, partner programma met uitgevers en bibliotheekprogramma. Partnerbibliotheek geworden bij Google Books, door toeval, vw de rijke collectie, de open acces houding en het team.

Sneeuwvlokken van Erik Duval over Creative Commons en keuzestress (l'embarass du choix).
Oplossing is hyperpersonalisering (unieke sneeuwvlokken in een sneeuwjacht). Bijv. Amazon speciaal 'recommended for you', of last.fm en pandora = bootstrapping.
Gevaar voor een geatomiseerde samenleving en vervlakking, maar diversiteit wordt steeds groter en gemeenschappelijkheid kan beter gevormd worden door gerichte communities.

Informatievaardigheden is nog steeds het onderwerp van Albert Boekhorst. Informatiebronnen door observatie, consultatie en nog iets... Nodig om te overleven. Signalern van de informatiebehoefte – naar vraag, bronnen kennen en gebruiken en verwerken van informatie.
Mediawijsheid vlgs Albert beetje ongelukkig term, gaat niet om media, maar wat er op staat.
Informatie-arm vs informtie-arm (ook ontbreken van elektra), in kwadranten in relatie tot omgeving. Als de omgeving verandert- informatierijker wordt, moeten ook de informatierijke uit vorige omgeving bijleren om hun informatievaardigheden op peil te houden.
Hoe wordt je informatievaardig: door bewustwording. Houding, kennis en vaardigheden in doorlopende leerlijn bijschaven.

Niet echt een forumdiscussie, maar achteraf lees ik ook in het programmaboekje dat het drie visies zijn op het thema informatieovervloed.
Het was wel aardig om te horen.
Jammer alleen dat ik door stroomtekort in een informatie-arme omgeving terechtkwam:)

Fobid-lezing veranderend mediagebruik

Paul Schnabel heeft het over 'na het boek en het beeld nu het bestand'. Hij bedoeld na uitvinding boek, uitvinding van -bewegende- beelden nu het bestand.
Vergrijzing – NL is nog lang niet vergrijsd – is goed voor het boek. Ook andere sociaal-culturele veranderingen hebben invloed op de positie van het lezen/boek. Wereld van de media is veranderd: van allocutie naar conversatie en consultatie. Niet alleen de dragers en de inhoud maar ook de typen. Professoneel veranderingen in bijv. Printing On Demand en Digital Academic Repository, maar ook in distributiekanalen, longtail.
Lezen is een dalende trend – in columns van Paul “kan t wat korter”? Jongere generatie leest niet automatisch meer, ook niet als ze ouder worden.
Op www.tijdsbesteding.nl een interessant grafiekje over de verdeling van hoofdactiviteit over de media, ook tv-kijken is dalend.
Interessant in ontwikkeling van bibliotheekgebruik is dalende,hoewel bij allochtonen stijgend (geen eigen boeken thuis). SCP-onderzoek naar openbare bibliotheken begin 2008 'De openbare bibliotheek tien jaar na nu' . Kernfuncties terug naar het beschikbaar houden van media. 'Digitalisering vergt nieuwe invulling van missie openbare bibliotheken'.
Reflectie op informatie wordt belangrijker en de ob's kunnen daar een rol bij spelen.
Steeds meer tijdsbesteding aan de PC, maar het vergt ook digitale vaardigheden, niet alleen technisch,- de instrumentele vaardigheden, maar ook de structurele en strategische vaardigheden. De manier waarop we met informatie omgaan en hoe we het steeds verder kunnen integreren in het dagelijkse leven.
Is er sprake van information overload? Vlgs Schnabel niet. Overvloedige informatie-aanbod , maar basis mediagebruik (18 uur) is constante Tegenover overload staat Informatiegemak, negeercomfort en selectieplezier. Voordelen zijn de beschikbaarheid – toegankelijkheid - herhaal/herstelbaarheid.

Jacques Snel van Rijksweb is verkozen tot Informatieprofessional van het jaar is bedrijfskundige en verantwoordelijk voor het cross-portal van de overheid.
Laten we het ipv over kennismanagement over kennisontwikkeling hebben zrgt hij.Kennis is het vermogen tot effectieve actie: publikaties, vaardigheden en tools. Hij praat over publiceren, het meervoudig verkopen van dezelfde informatie door uitgevers en het meervoudig opnemen van dezelfde informatie in bijv. de overheidssystemen.
Wat heeft de uitgever nodig: vaardigheden, concepten, methoden en instrumenten, Bij het inrichten van Kennisbanken loopt je tegen menselijke tekort, nl wat bedoel je met je woorden. Hij heeft het over web 3.0 het semantisch web: we hebben geen tools nodig om informatie te zoeken, maar om t te vinden.

Het Juriconnect initiatief probeert deze sematische hobbel te tackelen, en door samenwerking met uitgevers tot een single source te komen. Gaat om juridische info.

Portal voor studenten

Proquest/cambridge man, Jim McGinty, over publiceren van proefschriften. Over onderzoek dat ze gedaan hebben naar drop outs in de 'graduate studies'. Ze willen een informatiesysteem bouwen voor 'graduate students'. Als uitgangspunt nemen ze de gebruiker (niet de uitgever,zoveel heeft hij al begrepen).
Ze hebben een portal genaamd 'Grad Share' , waar doctoraal studenten info kunnen vinden. over hun afstudeeronderwerp, bronnen en vragen en antwoorden. Ook een bibliotheekinstructie paragraaf.Voor het succesvol opzetten van een portaldienst is een goede kennis en uitwisseling met (potentiele) gebruikers noodzakelijk.Maar t is niet eenvoudig om vast te stellen waar nu de behoefte echt ligt. Daar moet je deskundig uitgevoerd, onderzoek naar doen.
Waarom doen ze het: in overleg met vereniging van deans, stimuleren van hun eigen databases, creeren goodwill bij bibliothecarissen, studenten worden uiteindelijk onderzoekers en docenten en dus toekomstige gebruikers.

Kennisintegratie in ontwikkelingswerk

Josine stremmelaar van Hivos over kennis = macht, als product en als vermogen.
Kennislandschappen in wetenschap, beleid en praktijk, valt soms erg tegen.
Kennisintegratie is chaotisch, heeft veel raakvlakken. Spanningsvelden, ook cultuurverschillen. De lerende organisatie versterken. Hivos heeft een kennisprogramma.
Beetje vrijblijvend verhaal. Maar ik vond haar plaatje over kennisintegratie wel aardig en ga zeker nog hun programma lezen.

Kennisgedrag


On zaal A, met wifi, presenteert Anna Francesca Mancosu de sessie over 'Knowledge Services'. Het gaat over kennismanagement in relatie tot informatiemanagement.
Pascal Claeys van Deloitte gaat het hebben over gedrag ihk van kennismanagement en hij begint met een aansprekend voorstelrondje met handopsteken. Documentatie als geheugen is als doel geworden, terwijl het eigenlijk een instrument is.
Heeft inventarisatie kennissystemen en kennisdelen gedaan en stuitte op veel mismatch tussen aanbod en vraag. Maar uit initiatieven op Internet blijkt dat het wel kan(wikipedia, google, social media) maar binnen het bedrijf lijkt het niet te lukken.
De kritische succesfactor is gedrag. Managementdrives van c-dynamics mwet kleurtjes geeft het de drijfveren (kwaliteiten) aan, en ook kun je de blokkades (valkuilen) met kleurtjes aangeven. Profiel dynamics kun je ook hangen aan bedrijfsonderdelen, personen en voor deinstrumenten die je gebruikt.
Doet erg denken aan 'Kwaliteit en bezieling in organisaties' van D. Ofman

7 okt. 2008

Demo SEP UMC

Ria van de Velde geeft overzicht van hoe zij de SEP evaluatie heeft uitgevoerd uit METIS.
Probleem kwam al met de functie aanduidingen, vast en tijdelijk niet doorgevoerd en geen 'supporting staff', die zijn allemaal in 'other tenured staff'. geplaatst.
Na een zelfevaluatie in 2004 hebben ze het aantal functies geordend en geminimaliseerd.
Dat moest in Metis handmatig aangepast worden, en daarna 'SEP'-klaar maken, omdart dat werkt met een combinatie van velden: functie+aanstelling+categorie.
Ze heeft 2 jaar voorbereiding nodig gehad, en controleren of FTE klopt met de geldstromen. En de geldstroom tabellen moet je per jaar alles optellen.
Omdat je toch nog redelijk wat moet aanpassen is het wel erg fourtgevoelig.
Krijg er steeds minder zin is.
Discussie over de FTE deeltijd verdeling over verschillende programma's. Is de verantwoordelijkheid van de managers onderzoek, je kunt dat nl op allerlei manieren verwerken.
Ook de 'outcomes' cijfers lkosten aanpassingen. Wanneer is een boekhoofdstuk wetenschappelijk? Is niet te achterhalen. De proefschriften in Metis zijn niet helemaal betrouwbaar. Alle niet-Engelstalige worden geclasseerd als vakpublikaties, dus niet-wetenschappelijk.
In de 'full outcome list' kan nog niet alles in SEP-format worden uitgevoerd, ook de terminologie tussen Metis en SEP is niet conform. Ria heeft alles handmatig geteld!
Er ligt een vraag naar discipline-protocollen i.p.v. naar instituuts-protocollen.
Alle bibliografische gegevens en de full text van key publications staan op CD ROM.
Het heeft wel veel moeite gekost, maar door opschoning is Metis wel transparanter geworden voor UMC.

Kengetallen SEP/METIS

Leuk citaat op de openingspagina van de VSNU, Vereniging van Universiteiten van Aldous Huxley: 'Facts do not cease to exist because they are ignored.'
Lijkt me wel toepasselijk.
Kengetallen kun je krijgen door tijdschrijven en door normering, maar dat werd meteen van tafel geveegd. Enige wat overbleef is aansluiten bij de huidige praktijk.
Was ook meteen de opmerking van de deelnemers over het SEP verhaal: het gaat veranderen, maar blijft toch hetzelfde, er komt geen landelijke vergelijking, maar we vergelijken wel. Wat is het nu wel???

SEP = (Metis) = KUOZ = WOPI
[de isjes zijn een wens van Rene Hageman)

SEP= Standaard evaluatie protocol
Metis =Onderzoeksinformatie systeem
KUOZ = Kengetallen Universiteiten Onderzoek
WOPI = Wetenschappelijk Onderzoeks Personeel Informatie

Het oude boekje met definitie-afspraken is nog steeds geldig 'Definitie-afspraken Wetenschappelijk Onderzoek. VSNU 1994'
Het proces is nu zo, dat er een themagroep komt, dan een IR werkgroep en een bestuurlijke IR werkgroep en dan naar de stuurgroep AB. BLEEEH!
Ik heb van mezelf wel een tamelijk ambtelijke instelling, maar van zoveel bureaucratie krijg ik toch wel de kriebels.

WOPI is uitgangspunt voor personeel, alleen personeel opnemen die een arbeidscontract hebben. Niet onbezoldigd met salaris of zonder salaris maar wel met aanstelling, en heel kleine aanstelling als escape. Maar voorstel is 'wp in dienst' is t enige dat telt.
Toch zijn daar weer uitzonderingen op bijv. promovendi tellen wel mee (niet in dienst, maar wel output).
Maar de universiteiten hebben hun eigen verantwoordelijkheid daarin. Zo wordt er van alles en nog wat gedaan om problemen te omzeilen (zoals tijdens visitatie onproduktieve medewerker tijdelijk parkeren bij een anderonderdeel).
Er zijn vier soorten promovendi: 'gewone' = werknemer-promovendi, bursalen=contractpromovendi, interne promovendi, buiten-promovendi. En dan hebben we het nog niet over sandwich-promovendi. [ik heb laatst nog een overzicht van het Nederlandse wetenschapssysteem gedownload, moet ik nodig eens gaan lezen, want het is haast niet te volgen].
Onderzoeker en promovendi zijn 'non-tenured'. HGL,UHD en UD zijn tenured (de docenten dus). Dat is de uitkomst van een discussie waar mensen vaak niet uitkomen, worden in internationaal vergelijkingen gevraagd. Het vroegere onderscheid 'vast' en 'tijdelijk' is daarmee losgelaten omwille van de internationale vergelijking.

Outputgegevens zorgen ook voor discussies. Wat is bijv, een 'refereed' publicatie, de definitie is dan als er gepubliceerd is in een tijdschrift met een impact factor (maar geldt dat dan ook voor een brief die in zo'n tijdschrift gepubliceerd wordt. Of gaat het alleen over een tijdshcrift met een 'anonymous peer review' . En hoe zit het met de categorieen en de subcategorieen, en de resp. definities daarvan.

Geldstromen discussie lijkt overzichtelijk: 1e = basis (altijd OC&W?), 2e = NWO/KNAW (ook EU in competitie verworven), 3e = privaat (maar ook publieke 3e geldstromen = collecte). Onderzoek onderscheiden naar intentie (2e geldstroom) of opdracht (3e geldstroom).

Hij eindigt met nog een aantal vragen, of we die in groepjes of thuis willen beantwoorden. Jakkes, wat is dat saai, moet ik me daar echt over buigen. Of zei hij neem contact met je IR, je institutional research officer, help zou ik zomaar kunnen zij voor NIOO.

SEP

Renee Westenbrink van de VNSU geeft een intro over SEP: Standaard Evaluatie Protocol. Hij schets een aantal problemen bij de huidige methodiek:
* beoordelingslast: vereenvoudiging (naar KEP)
* benchmarking (plaatsbepaling in onderzoekslandschap) [trouwens CWTS heeft een aardige benchmarking tool op hun website]
* maatschappelijke relevantie: ook vraag uit politiek (in ERIC, evaluating research in context)
* promotieopleidingen: komt in SEP, nu nog niet
* vitality & feasibility: toekomstperspectief managementstrategie
* landelijke vergelijkbaarheid: is geen SEP-doel, internationaal vergelijken, maar politieke vraag

Nadruk bij beoordeling liggen op instituut meer op management dan op onderzoeksgroep.
Gegevens van universiteiten zelf, maar ook van visitatierapporten.
Nieuwe elementen in het SEP mn de promotieopleidingen en maatschappelijke relevante output. Eric heeft een overzicht van de verschillende maatschappelijke mogelijkheden in private sector, in professionele publek sector en t.b.v. brede publiek.

De nieuwe SEP vereist een lange voorbereiding (6 jaars-evaulatie). Belangrijk is de mid-term review, die veel onduidelijkheid geeft. Zou ultralicht moeten en kunnen zijn. De instelling zelf bepaalt. Vergt dat aanpassingen in Metis, nee dat is niet de bedoeling.
VNSU willen een website inrichten, waarbij ook gebruikers interactief kunnen meepraten.
Vanmiddag hebben we in het workshop-gedeelte een demo.

Bibliometrie

Onder de noemer 'een crash course in bibliometrics' geeft Thed van Leeuwen van het CWTS een compacte introductie, vergeleken met de graduate course -een vierdaagse cursus bibliometrics nu in Leiden. Introductie over CWTS (bv en daarnaast universitair onderzoek onder Social Sciences, contractonderzoek, maar publiceerden toch zo'n 10 papers per jaar. V
Bibliometrie (Garfield en Price) gegrondvest in USA onderzoekt wetenschap en techniek dmv kwantitatieve analyse van wetenschappelijke output. Maar onderzoek naar kwaliteit is niet gelijk aan science citation impact. CWTS is volledig bevoegd door Thomson Reuters Scientific en hebben een eigen database 1981-2007 daarvan, waarop en waarmee ze zelf nauwkeuriger analyses kunnen maken.
* Vier niveaus van analyse: macro- tussen landen, meso – disciplinair, micro – onderzoeksgroepen, nano – individuele onderzoekers.
* Drie typen data-verzamelingen: op adres (landen en/of instituten), op auteursnamen (lijst van namen en varianten), op publikatielijsten (van opdrachtgevers een lijst bijv. uit Metis) .
* Twee functies als je bibliometrie als diagnostisch instrument wilt gebruiken: beschrijvende analyses (bijv. benchmarkes) en evaluatie-analyses (voor instituen).
Doelen voor analyse kan zijn zoeken naar research potential of in past performance, dus toekomst in vergl. met verleden.
Keuze is altijd bij de klant. De benadering kan zijn topdown of bottom up.
Naast de alom bekende auteursnaam-problemen (spellingsvarianten, adresvarianten), signaleert hij ook vakgebied-definities, die verschillend kunnen zijn, zeker vergeleken met de door bijv. WoS gehanteerde vakgebieden. Het onderzoek naar research potential kan haast geen goed beeld geven als wordt uitgegaan van de top-down benadering, omdat meestal de publikaties van artikelen buiten instituut om buiten beschouwing blijven. Ook evaluatieve analyse is lastig als je alleen maar uitgaat van top-down, de overkoepelende instelling. Bottom-up benadering is de beste manier om evaluatieve analyses uit te voeren.
Vervolgens spreekt hij over de die ze voor de analyse gebruiken zoals aantal publikaties, aantal citaties, gemiddelde tijdschriftscore en de berekeningen ter vergelijking.
Citatie-metingen in vaste blokken van tijd, of in gevarieerde blokken van tijd.
Enige kritische kanttekeningen worden geplaatst bij de ISI Journal Impact Factors: fouten in berekeningen, alle documenttypes worden meegenomen, gewone en bijv. review tijdschrift worden op dezelfde manier behandeld, vakgebieden verschillen sterk en kunnen bijna niet vergeleken worden, te klein citatie-venster .
H-index is een eenvoudige meting voor performance-indicatie van de onderzoeker. H-index-waarden verschillen enorm per vakgebied en kunnen dus niet vergeleken worden. Bovendien is het een oeuvre-benadering, leeftijd en carrierelengte spelen daarbij een rol.
Zij zijn nog niet goed in staat om voor de geesteswetenschappen bibliometrische onderzoeken te doen. In toekomst willen ze ook Scopus meenemen, maar zegt hij 'meer is niet altijd beter'.

Metis seminar

Een tweedaagse bijeenkomst georganiseerd door de Metis Gebruikersgroep i.s.m. KNAW. Ze hebben op Surfgroepen het programma en een wiki.
Gisteren 6 oktober was de eerste dag, alleen bestemd voor MG-leden.
Vandaag 7 oktober is de bijeenkomst bestemd voor facultair beheerders en gebruikers.
Straks beginnen we met een plenair deel in de theaterzaal van het stadskasteel Oudaen.
Een mooie monumentaal vergadercentrum en horecagelegenheid aan de OudeGracht in het centrum van Utrecht.

De Oude Gracht is ook de mooiste straat eigenlijk in het centrum. Erg sfeervol, met nu de herfstbomen op de werfkades lanfgs de grachten.
METIS is het systeem voor onderzoeksregistratie en informatie. Alle universiteiten in Nederland doen eraan mee. Wij willen hetin eerste instantie gebruiken als handvat voor de inrichting van onze repository: overzicht van alle publikaties die doormedewerkers van ons instituut zijn geschreven. Maar het is een wat lastig programma. Daarnaast moet er managementinformatie uitkomen, dus aantallen publikaties e.d.
We beginnen met een plenaire lezing over bibliometrie door Thed van leeuwen van de CWTS.
CWTS is een onderdeel van de Universiteit Leiden, en ze doen daar onderzoek naar allerlei bibliometrische indicatoren.

6 okt. 2008

Blogkermis is thematisch bloggen

Spraakverwarring over de blogkermis.
Omdat ik het de afgelopen drie weken na de vakantie zo razend druk heb gehad (flauw excuus) had ik niet zo goed gelezen waar het eigenlijk over ging. Ik las bij Wow!ter over een blogkermis en ik dacht aan mijn jaarlijkse kermisbezoek. Mijn partner is nl. dol op kermissen, echte dus met draai- en zweefmolens, botsautootjes en gokmachines. Om de lieve vrede in huis te bewaren ga ik een keer per jaar met hem mee, dit jaar waren we in Abcoude en heb ik in het reuzenrad gezeten (oude stijl).
PFFF ben altijd blij als het erop zit.
Wat werk betreft heb ik geen zin in een draaimolenvariant.

Maar inmiddels heb ik mijn naslag toch maar beter gelezen en ik begrijp nu dat het de bedoeling is om thematisch te bloggen, waarbij de samenvatting en de links naar de betreffende logs door een steeds wisselende host gedaan worden. Ruben Timmerman van Usarchy legt goed uit waar het over gaat. Bij hem is dat marketing, in onze gemeenschap gaat het over bibliotheek en informatie.
Lijkt me toch wel leuk. Als ieder zo zijn of haar eigen mening geeft over een actuele stelling. Wel denk ik dat het behoorlijk wat werk nog is om alles te verzamelen en te verwijzen.
Maar indien iemand zich opwerpt tot ‘carnival host’ en het een interessant thema is wil ik wel meedoen.
ik zag trouwens ook een aardige 'eco-blogkermis'.

4 okt. 2008

Waarom bloggen

Als - weliswaar verlate, maar toch - reactie op de oproep van Wow!ter wil ik een klein stukje wijden aan het waarom van mijn bloggen.
Ik ben begonnen met bloggen toen ik voor X-ref Nederland werkte met het duidelijke doel voor ogen om een soort persoonlijke nieuwsbrief te maken voor de klanten. X-ref klanten konden zo lezen waar we mee bezig waren in de ontwikkeling van nieuwe versie en met klantbezoeken. Een duidelijk doel (nieuwsbrief) en een duidelijke doelgroep (klanten). De weblog is nog steeds in de lucht, hoewel ik hem officieel per 1 maart 2007 heb afgesloten.
Inmiddels volgde ik al een aantal andere webloggers, en wat ik interessant vind om te lezen is de persoonlijke gekleurde ervaringen en belevenissen van de bibliothecatis/informatiespecialist.Van alleen maar links en verwijzingen wordt ik niet veel wijzer, dus die lees ik niet, maar ik hoor graag waar collega's in de veranderende en dynamische wereld van de informatievoorziening mee bezig zijn en hoe ze dat ervaren. Dan is het een kleine stap om daar zelf op die manier aan mee te doen. Er gebeurd zoveel in ons vak dat het om bij te blijven bijna noodzakelijk is om weblogs te lezen.
Een tweede reden om een nieuwe weblog te beginnen was mijn ervaring dat ik door steeds kleine verslagjes te schrijven het onderwerp voor mezelf veel helderder krijg. Ik kan mijn indrukken beter verwerken en al schrijvende kom ik tot andere inzichten.
En dan uiteraard de bijeenkomsten: cursussen, conferenties, seminars. Je kunt onmogelijk overal naar toe gaan, dus ik lees graag verslagen van bijeenkomsten in weblogs, verse verslagen meteen tijdens of vlak na de bijeenkomst neergeschreven. Gedrukte verslagen in tijdschriften zijn wat mij betreft echt passe. En als ik zelf ergens naar toe ga, doe ik daar dan ook verslag van: vaak in korte twitters als aantekening gevolgd door een logje als verslag. Buitengewoon handig!
En tot slot is het een mooi archief over mijn eigen ontwikkeling en stappen, die ik in mijn werk zet.
Ik schrijf dus met een minder duidelijk doel, deels voor mezelf en deels voor anderen, met name collega's.
En kijk ik statistieken? Nee dat doe ik niet. Op aandringen van anderen heb ik wel een statistiekenteller op mijn weblog gezet, maar het laat me eerlijk gezegd koud of er nu 3 mensen mijn logs lezen of 300, of 3000. Wel vind ik het leuk af en toe van iemand, al dan niet als opgenomen commentaar, iets terug te horen.
En dat over een blogkermis, tsja ik hou niet zo van kermissen, is meer iets van mannen denk ik:)

29 sep. 2008

Met AIN op bezoek bij MIM

Het MIM is het Instituut voor Media en Informatie Management van de Hogeschool van Amsterdam (HvA). De opleiding heet nu Informatie & Media. Ik was wel benieuwd hoe het van het vroegere FMA (Frederik Muller Academie) naar het MIM is gegroeid. De FMA was een‘bibliotheek- en documentatie-academie’(bda). Ik heb daar in 1975/6 het specialisatiejaar ’bd: bibliothecaris-documentalist’ gedaan. Later werd de naam ‘bdi: bibliotheek, documentatie en informatie’ en weer later ‘idm: informatie-dienstverlening en management’, maar ook ‘dienstverlening’ kon niet meer in de naam en nu is het dus ‘informatie en media’. En net zoals andere opleidingen is het samengegaan met andere in een hogeschoolcluster.
De HVA heeft ‘domeinen’, laten we zeggen faculteiten. Het MIM ligt binnen het domein ‘Media, Creatie en Informatie’. In datzelfde domein liggen ook de instituten voor mode-opleiding, informatica, interactieve media en information engineering. Ook de huisvesting is geclusterd: de opleiding zit niet meer op de gracht, maar in het gebouw waar vroeger de Raad van Arbeid zat. Ook Interactieve Media zit in dat pand, terwijl het Fashion instituut op de Mauritskade zit en Information Engineering in Almere. Informatica zit nog op leeuwenburg, daar kwam het MIM ook vandaan en daar is ook nog de bibliotheek. Dat is een pand achter het Amstelstation. Het Wibauthuis naast MIM wordt gesloopt en het is de bedoeling dat dat in 2011 een heuse ‘Amstelcampus’ gaat worden.
De Amstelcampus is een reeks van gebouwen met daarin ruimte voor onderwijs, studentenwoningen, horeca en winkels. Ook is er ruimte voor sport: er komt een fitnessclub voor studenten, medewerkers en omwonenden en een nieuwe publieke sporthal. Deze sporthal wordt deels ondergronds gebouwd in de oude kelders van het Wibauthuis.
Binnen het MIM gaat het om: media, informatie en communicatie. Er zijn 5 opleidingen in ondergebracht: naast Informatie & Media is er ook de opleiding Media, marketing & Publishing, die ook uit het FMA voortkomt. Dat was vroeger de opleiding: ‘boekhandel en uitgeverij’. Veruit de populairste opleiding van het MIM is Reclame, Marketing & Communicatie. Daarnaast heb je nog Redactie en Mediaproductie en Nieuws & Media (journalistiek). MIM heeft in totaal 1400 eerstejaarsstudenten waarvan 65 procent uiteindelijk afhaakt. Waarvan 20 voor Informatie & Media (en 50 voor de deeltijdopleiding). Over het algemeen is de instroom van studenten in IM bedroevend laag. Landelijk is dat ongeveer 130 studenten over 4 opleidingen. Jelke Nijboer, die de inleiding verzorgde, vertelt dat er van alles aan gedaan wordt om de opleiding aantrekkelijk(er) te maken, maar dat het niet echt helpt. Er zijn wel leuke wervingsfilmpjes gemaakt en op de site staan ook interessante persona’s beschreven.
Wonderlijk genoeg is Nijboer ook verbaasd over het feit dal alle afgestudeerden bijna onmiddellijk een baan – en vaak een hele goede – kunnen vinden. Je moet er als docent natuurlijk wel zelf in geloven!
Op verzoek heb ik een overzicht thuisgestuurd gekregen met het vakkenpakket voor het examen. Gelukkig zitten daar veel – mijns inziens – nuttige vakken in zoals zoekstrategieën, informatiesystemen, retrievalsystemen, XML, multimediale databases, online media, internetstrategie en informatie- en mediarecht. Uiteraard ook wat fancy vakken (ik kan alleen afgaan op de naam, misschien zijn het juist hele diepgravende modules) zoals media & cultuur, trends in media, urban culture project e.d. En wat praktische zaken zoals Professioneel Engels en Mediawijsheid (daarmee wordt dacht ik informatievaardigheden bedoeld). In de deeltijdopleiding heb je nog vakken als ‘ontsluiting’ en websitebouw en de basismodule archivistiek. Maar dat laatste kun je ook als minor doen. Een minor is een zelfstandige module, die je in het vierde jaar doet en ev. ook van een ander instituut kan komen. Er moet een oriënterende stage en beroepsvoorbereidende stage worden gedaan en het geheel wordt na vier jaar afgesloten met een afstudeeropdracht/scriptie.
De woorden bibliotheek en documentatie komen in het geheel niet meer voor. Niet in de naam en niet in de vakken. En toch ben ik – om met Cato te spreken – van mening dat het schrappen van de begrippen ‘bibliotheek’ en ‘documentatie’ een slechte zaak is geweest voor zowel de opleiding als het (imago van het) vak.
MIM neemt de Archiefschool over en prof Ketelaar gaat weg bij Boek en Informatiewetenschap. Aanmelding Informatiewetenschap schijnt droevig te zijn. Als ik naar de UvA website ga, zie ik dat de naam ‘Documentaire Informatiewetenschap’ is veranderd naar ‘Culturele Informatiewetenschap’
Culturele informatiewetenschap is de nieuwe naam van de master Documentaire informatiewetenschap.
De docenten zijn nog wel goeddeels hetzelfde en ook het programma ziet er bekend uit. Zelf heb ik in de periode 1998-2001 het doctoraalprogramma Documentaire Informatiewetenschap gedaan. Dat zat toen nog samen met Boekwetenschap. Die is er nu uitgelicht en valt onder de Algemene Cultuurwetenschappen.
Deze bijeenkoms tis georganiseerd door het AIN: Amsterdams Informatie Netwerk.
We krijgen de inleiding in een collegezaal in het pand van het MIM (Singelgrachtgebouw). Het is een mooie zaal, wel erg stijl met mooie blauwe belijning. Naast colleges krijgen de studenten ook les in project- en werkgroepen. En ze hebben wel de beschikking over de digitale bibliotheek. Helaas beperkt de rondleiding zich tot de studio’s, waar opnames gemaakt kunnen worden voor radio en tv. Ik had ook nog wel andere studieruimtes willen zien. En ook zou ik nog willen vragen hoe het met ‘information commons’ zit. Dus de faciliteiten om informatie op te zoeken en te verwerken die je nodig hebt voor je studie. Maar dat komt nog wel eens.
Al met al een leuke bijeenkomst. Ik vond het interessant om te zien hoe er tegenwoordig les wordt gegeven. Eigenlijk zou je ook eens een les moeten kunnen bijwonen. Gewoon voor de aardigheid. In ieder geval zijn we prettig ontvangen en hebben we leuk bij kunnen praten.

18 sep. 2008

Presentatie Boeken en web 2.0

Gisteren een presentatie gegeven over boeken en web 2.0, getiteld “Books in a web 2.0 environment” aan medewerkers van het instituut. Het doel was om aan de hand van boeken en catalogus te laten zien wat er aan nieuwe functies mogelijk is, zoals een rss op de catalogus, maar ook het toevoegen van coments en tags, het maken en delen van literatuurlijsten (in Worldcat). Uiteraard komt dan ook het digitaliseren van boeken ter sprake, en het wonderlijke feit dat zelfs als boeken digitaal gepubliceerd worden ze er toch nog gewoon als boeken – dus eendimensionaal, uitzien.
Ik heb alle links in de delicious-account van NIOOLibrary gezet en de presentatie op slideshare.
Dit is mijn begin met web 2.0 toepassingen op het instituut. Een zien hoe het verder gaat.

9 sep. 2008

Academic Librarian

Op vakantie in Engeland (Zuid Devon) is het vandaag, na een aantal dagen redelijk mooi weer, echt Engels: grijs en nat. Tijd voor vakantieliteratuur. Ik heb meegenomen:
'The succesful academic librarian: winning strategies from library leaders' ed. by Gwen Meyer Gregory. Information Today, 2005.
Goed, dacht ik voor wat professionele overdenkingen in de vakantie. Per slot is vakantie bedoeld om weer op een andere manier naar het werk te kijken.
Deze bundel bestaat uit 3 delen [ the basics- getting of to a good start; things to think about-getting and keeping a great job; tales from the trenches – academic librarians share their stories],met in totaal 25 bijdragen, handreikingen voor het bouwen aan een succesrijke carrière voor de wetenschappelijke bibliothecaris. Zelf zie ik me niet als een wetenschappelijke bibliothecaris, maar omdat ik in een wetenschappelijke omgeving werk spreekt het me wel aan.
Het geheel is erg Amerikaans en, behoudens een hoofdstuk over Canada, geheel gericht op de situatie in de USA. Maar het geeft me toch wel aanzetten tot professionele bezinning.
Zoals over de expertise van de bibliothecaris. Elizabeth O. Hutchins schrijft daarover:'..some areas of specialization include information literacy, the organization of access to resources, the dissemination of knowledge, and facilitating users' connection to key scholarly conversations' en McKinley Sielaff vervolgt in het hoofdstuk over het aanleggen van een prestatie-dossier met het noemen van diverse onderdelen in de taak van de bibliothecaris. Veel instructies en gebruikersondersteuning, het faciliteren van toegang tot bronnen, databases, bestanden en literatuur, maar ook netwerken om zo meer kennis toegankelijk te krijgen.
Een ander belangrijk onderwerp is de bijdrage van de wetenschappelijke bibliothecaris aan de 'body of knowledge' van de bibliotheek- en informatiewetenschap. In een tenure-positie moet een Amerikaanse bibliothecaris ook publiceren over zijn ervaringen en onderzoek. In een tenure-proces (ong. 6-jaar durende opbouw om tot vaste aanstelling te komen) wordt je door een externe commissie beoordeeld of je je deel wetenschappelijk werk geleverd hebt en anderszins je prestatienormen hebt gehaald. In Nederland kennen wij dat niet in de bibliotheekwereld. Daarom ook wordt er relatief weinig gepubliceerd in peer reviewed bibliotheektijdschriften. Iets wat Wouter Gerritsma ook al aanstipte bij de uitreiking van de 'Informatie Professional van Het Jaar 2007-prijs'. Het vak van bibliothecaris is in Nederland ook nauwelijks een wetenschappelijke discipline. Terwijl in de USA de Association of College and Research Libraries (ACRL) al in 1971 richtlijnen uitgaf voor criteria waaraan een bibliothecaris moet voldoen om een academische status te verwerven. En terwijl ik toch zelf mijn doctoraal heb gehaald in bibibliotheek- en informatiewetenschap, ben ik niet op de hoogte van reguliere onderzoekslijnen op ons vakgebied. Om een bijdrage te leveren aan de algehele knowledge base van de bibliothecarissen is een weblog natuurlijk een mooie toepassing, en als je kijkt naar de Biblioblogosphere-wiki, dan zijn er in Nederland toch ook aardig wat mensen bezig. Maar wetenschappelijk?
Een derde belangrijk onderwerp uit het boek is de 'voortdurende scholing', in het Engels 'continuous education' en vroeger in het Nederlands aangeduid met de Franse term 'éducation permanente', Een aardige observatie vond ik de vermelding van de door Peter Vaill ontwikkelde theorie, dat door de snel vervanderende technologie in bibliotheken een situatie is ontstaan van 'permanent whitewater'. Een situatie waarin een werkomgeving continu in beweging is en daardoor de werknemers dwingt om dingen te doen waar ze nog geen ervaring in hebben. Dat betekent ook dat je als bibliothecartis goed moet kunnen leren en je snel nieuwe vaardigheden eigen maken.
Toch wel wat bezinning, morgen ga ik het herkauwen tijdens mijn vervolg-wandeling over het South West Coast Path.

28 aug. 2008

Oude jaargangen tijdschriften

We hebben besloten om een aantal jaren de backfiles van het tijdschrift Nature aan te schaffen. Vanaf 1987 tot heden.
We hebben het gedrukte tijdschrift nog in de kast staan en wel de jaargangen van 1951tot en met 1994. Met onze backfiles aanschaf kunnen we dus de jaargangen 1987 tot en met 1994 uit onze opslagruimte verwijderen.

Vroeger was er een project Netherlands Periodical Project van NUFFIC. Daar kon je ‘oude’ en dubbele jaargangen tijdschriften naar toe brengen en zij zorgden dat die naar ontwikkelingslanden gingen.
Op de NUFFIC site zelf is geen NPP meer te vinden, bij het zoeken krijg je nog wel een regeltje te lezen over wat er eerst heeft gestaan:” The NPP has as its objective the support of scientific libraries in developing countries by providing them with scientific publications. - The NPP coordinator makes sure that the libraries overseas receive only relevant, useful materials. The NPP coordinator first makes an inventory of what the libraries need and then tries to meet this demand with surplus periodicals and books which Dutch libraries are willing to donate"

We hebben vorig jaar nog deelgenomen aan een onderzoek naar een voortzetting van NPP, daar is ook een rapportje van gekomen. Het voorstel was kort samengevat toch om het project te herzien en te bekijken hoe je online toegang kunt regelen.

Van het Nuffic hebben we niets meer vernomen.
Wel zijn er inmiddels een aantal projecten om ontwikkelingslanden online toegang te geven tot tijdschriften.

Een voorbeeld daarvan is OARE, een publiek-private organisatie van UN m.m.v. uitgevers.
“ Online Access to Research in the Environment (OARE), an international public-private consortium coordinated by the United Nations Environment Programme (UNEP), Yale University, and leading science and technology publishers, enables developing countries to gain access to one of the world's largest collections of environmental science research. “
De universiteit van Hasselt heft in samenwerking met Ebsco de open science directory opgezet:
“ Open Science Directory contains collections of Open Access Journals (e.g. Directory of Open Access Journals) and journals in the special programs (Hinari, Agora, OARE). Other programs will be added in the near future: INASP-PERI, eJDS.”

Mooie initiatieven. Het lijkt me ook veel beter om online toegang voor ontwikkelingslanden te organiseren dan om ons afgedankte materiaal naar ze op te sturen. Afgelopen zaterdag stond er nog een treffend stukje over in het Volkskrant Magazine, over een Surinaams scholhoofd, die behoorlijk baalde van de oude troep die hij als goed bedoelde ontwikkelingshulp krijgt opgestuurd. Hij wil en vind dat zijn leerlingen recht hebben op kwalitatief hoogstaande literatuur. En terecht.
[Het artikel kan ik niet meer vinden, wel de originele oproep van de hoofdredacteur om boeken aan Suriname te schenken, waarop het commentaar van het schoolhoofd een reactie was.)
De oude jaargangen gaan dus maar in de oudpapier doos.

25 aug. 2008

PI's en NBN's


Vorige week op bezoek bij DANS. DANS is het instituut van de KNAW (een zusterinstituut dus) met als volledige naam Data Archiving and Networked Services. Bij Dans zijn ze bezig met het ontwikkelen van een Data keurmerk (Data Seal of Approval) en met het opstellen van richtlijnen voor een Trusted Digital Repository.
“DANS zorgt sinds zijn oprichting in 2005 voor de opslag en blijvende toegankelijkheid van onderzoeksgegevens in de alfa- en gammawetenschappen. Daartoe ontwikkelt DANS zelf duurzame archiveringsdiensten, bevordert het dat anderen dat doen, en werkt samen met databeheerders om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk data vrij beschikbaar komen voor gebruik in het wetenschappelijk onderzoek.”
Ze beheren zelf EASY (het Electronic Archiving System) voor het opslaan van wetenschappelijke data uit humaniora en sociale wetenschappen.
Omdat wij zelf zo in de weer zijn met het archiveren van wetenschappelijke data leek het wel interessant om eens met Dans van gedachten te wisselen.
Behalve de afkortingen DANS, DSA, EASY en TDR heb ik nog veel meer afkortingen geleerd.
Bijvoorbeeld DAI (Digital Author Identificer), niet te verwarren met DOI (Digital Object Identifier) en over Persistent Identifiers.
Persistent Identifiers zijn nummers die blijvend een object (link) vertegenwoordigen.
Een DOI is zo’n persistent identifier, die beheert wordt door de International DOI Foundation, uitgaande van de uitgevers.
Voor Dare(Digital Academic Repositories), tegenwoordig opgenomen in NARCIS (National Academic Research and Collaborations Information System) willen ze nu pi’s gaan ontwikkelingen in de vorm van NBN’s (National Bibliographic Numbers). National Bibliographic Numbers zijn URN Namespace ID’s, ontwikkeld door de Nationale Bbibliotheek van Finland. URN staat voor Uniform Resource Name, en de achterliggende bedoeling daarvan is de problemen op te lossen die URL’s (Uniform Resource Locators), de adressen op internet, veroorzaken doordat ze een zinvollere en meer permanente betekenis krijgen.

Hoe ziet zo’n NBN eruit:
urn:nbn:nl:ui:13-051-ru0

UI nr 13 is DANS-EASY. Je kunt de PI zien als je bij EASY Dans een onderzoek opvraagt (bijvoorbeeld over VOC) en dan in de Full Description kijkt. Deze NBN kan dan gebruikt worden als link naar deze plek waar de digitale data ligt opgeslagen. De link linkt overigens naar de metadata.

Ik heb er een verhelderend rapport over gevonden van de ECPA (European Commission on Preservation and Access (wist trouwens niet dat dat bij KNAW was ondergebracht. En nu ik het wel weet heb ik er niet zo veel meer aan want ze gaan sluiten). Het rapport heet Implementing Persistent Identifiers van Hans-Werner Hilse en Jochen Kothe en is uit 2006.

24 aug. 2008

30 jaar bibliothecaris

Om nog even terug te komen op mijn vorige logje.
30 jaar is een hele tijd, maar het is wel een fascinerende tijd geweest.
Het vak van bibliothecaris (zo noem ik het toch nog steeds) was in deze afgelopen 30 jaar een en al dynamiek en beweging. Zeer in tegenstelling tot het soms wat stoffige imago, is het beroep van bibliothecaris hectisch, innoverend en veelzijdig. Je blijft leren en nieuwe einders ontdekken. In de afgelopen 30 jaar heb ik ieder jaar ten minste een cursus gevolgd en ik blijf nog steeds nieuwe dingen ontdekken.
Tijdens de opleiding heb ik de overgang meegemaakt van parochiebibliotheken naar openbare bibliotheken, in bijna alle Nederlandse gemeenten. De opkomst en nu weer de ondergang van de bibliobus en de tijdschriftencirculatie en de veranderende gedaante van de catalogus, de uitleen(administratie), het ibl. Maar wat is gebleven is de ondersteuning van de bibliotheekgebruiker, het verstrekken van informatie in de vorm van antwoorden, instructie en het aanbieden van (toegangen tot) bestanden en boeken.
In 1999 heb ik nog eens een werkstuk gemaakt over de ‘veranderende rol van de informatie professional’ (in het kader van mijn doctoraalopleiding in de boek- en informatiewetenschap.
De twee stellingen daaruit:
• Naar beroepsopvatting zijn twee soorten informatieprofessionals te onderscheiden:”collectieblijvers” en “collectievlieders”
• Traditionele beroepen als bibliothecaris, documentalist, literatuuronderzoeker en journalist convergeren tot “content manager”
Het heeft ook te maken met de grootte en soort van de bibliotheek waarin je werkt. Bij een universiteitsbibliotheek met een omvangrijke collectie en grote gebruikersaantallen is ook het werk en de beroepsomschrijving van de bibliothecarissen gedifferentieerd.
In een kleine bedrijfsbibliotheek, of bibliotheek van een klein onderzoeksinstituut ligt de nadruk sowieso meer op gebruikersondersteuning dan op bezitsvorming en –beheer. Maar dat was 30 jaar geleden niet anders. Alleen was er vroeger veel meer administratie te doen met al die kaartenbakken voor catalogus-, uitleen en circulatiekaarten. En alleen al het inschrijven van een hele stapel tijdschriften was al een klus op zich.
En natuurlijk de opkomst van de ICT in de bibliotheek. Eerst nog schoorvoetend, in de vorm van een machine voor het aanmaken van cataloguskaarten en later volop met elektronische boeken en tijdschriften en een volledig geautomatiseerde catalogus en uitleen.
In 1978 stuurde ik ingevulde voorbedrukte formulieren met een aanvraag naar de Bibliotheek van de TU Delft en nu sturen we een aanvraag per mail door in een voorgedefinieerd format.
In de vroege e-tijd kon je nog wel eens literatuuronderzoek doen voor een onderzoeker in buitenlandse databanken. Dat deed niet iedereen zo maar zelf omdat dat ingewikkeld (zeker in de tijd van voor de opkomst van het WWW) en kostbaar (taxi-tarief) was. Inmiddels zijn de eindgebruikers zo ver ‘empowered’ dat het heel normaal wordt gevonden dat hij alles zelf doet en overal zelf toegang toe heeft. Ik ben benieuwd hoe dat nu verder gaat, of we inderdaad, zoals John Mackezie Owen zegt (in het WTR-trendrapport) naar een volledig ‘open access’ wereld toegaan, waar zelfs het organiseren van toegang geen aparte taak meer is, want alles is al toegankelijk.
Het wordt wel steeds leuker en socialer. De kern van samenwerking toen en nu blijft het face-to-face contact en de uitwisseling van gegevens op persoonlijke basis. Maar er is al zoveel meer mogelijk met gebruikmaking van allerlei web-technieken, het maken van een virtuele bibliotheek (onderwerp van mijn afstudeerscriptie in 2001) en nu als laatste de web 2.0 social tools. Aan de andere kant zei een (het jongste) lid van onze bibliotheekcommissie vorige week nog, dat samenwerking toch het beste in persoonlijke ontmoetingen vorm kan krijgen.

17 aug. 2008

Jubileum



Deze maand ben ik 30 jaar werkzaam als bibliothecaris/documentalist. Op 1 augustus 1978 ben ik in dienst getreden van het Gemeente-energiebedrijf in Amsterdam als ‘medewerkster bibliotheek’. De taakomschrijving luidde:
“verrichten van bibliotheekwerkzaamheden in de ruimste zin, omvattende onder meer: tijdschriftencirculatie; documenteren van boekwerken en artikelen uit tijdschriften; assisteren van de bibliothecaris bij het verzamelen, beheren, toegankelijk maken en beschikbaar stellen van literatuur en documentatiemateriaal; vervangen van de bibliothecaris bij diens afwezigheid”.
Mijn sollicitatiebrief was handgeschreven, mijn aanstellingsbrief getypt op een tikmachine.
In 1976 ben ik afgestudeerd aan de Frederik Muller Akademie (BDA) en daar heb ik als afstudeerscriptie geschreven over ‘Computertoepassingen in Nederlandse en Belgische bibliotheken’. Dat ‘Belgische’ had ik speciaal toegevoegd omdat er alleen in Nederland nog niet veel beweging was. Pica was al wel van start, maar kampte (toen al) met problemen. Prachtig is ook mijn beschrijving van de ponskaarten die de koning Albert I bibliotheek gebruikte. Och ja, die goede oude tijd!
Maar is er nou echt veel veranderd? Voor mijn gevoel wel: alles is nu gecomputeriseerd, tijdschriften zijn online op pdf niveau toegankelijk, dus circuleren is er niet meer bij. De knipselkrant, die wij destijds met – letterlijk- knippen en plakken maakten, wordt nu ook online geleverd. Maar kijk je naar de kwesties die speelden en nu spelen dan lijkt er toch niet zo gek veel veranderd. Toen zat ik op het GEB in het onderzoek naar alternatieve, duurzame energievormen, nu hebben we het op het NIOO over duurzaamheid en cradle-to-cradle. Niks nieuws onder de zon, zou je zeggen. En als je naar de titels kijkt in het tijdschrift ‘Library and Information Science’ dan zie je dat het nog steeds gaat over catalogi, bibliotheekinstructie en citatie-indexen. Ik wilde in eerste instantie kijken naar de inhoudsopgave van het tijdschrift OPEN (voorloper van de Informatie Professional) van 1978, maar die kon ik nergens vinden.
Ter vergelijking hier dus de titels van de artikelen uit Library and Information Science uit 1978 en uit 2007.
1978
- Book indexing as a tool for reading
- Woman librarianship
- Ambiguity and insufficiency in the nippon cataloging rules
- Citation analysis - economics - journal-of-economics
- Invisible college - diffusion of knowledge among political scientists in japan
- Network of hospital library-service
- Evaluation of ir-oriented programming languages for the implementation of clinical record retrieval systems
- Survey of the papers by japanese oto-rhino-laryngological researchers published in western journals using science-citation-index, 1967-1976
- ntroductory study on library instruction for academic-libraries with special reference to a comprehensive program of user education for general libraries
- Some reflections on library and bibliographic service in japan and britain
- Analysis and evaluation of factors of libraries of banking institutions in japan
- Compilation of a remote-sensing thesaurus
- Required and optional textbooks used in education for library and information-science in japan
- International scientific journals and trends of contribution using science-citation-index file 1976
2007
- Multivalued co-citation measure based on semantic distance between co-cited papers in a citing paper
- Current state of outsourcing in special libraries in Japan
- Characteristics of works in a Japanese library catalog from the view point of FRBR: A case study of Keio University Library OPAC case study
- Children's eye movement while reading picture books
- A case study on learning and teaching support provided by Earlham college library
- The effect of judicial system reform on Japanese law libraries
- Academic library service for the next decade
- A trap of intellectual freedom: What brings the confidentiality of user information to Japanese public libraries?