22 dec. 2008

Science Fiction

Zelden lees ik science fiction verhalen. En als ik het dan een keer doe, zoals vorige maand, toen ik Fahrenheit 451 las, dan ik het jaren nadat het gepubliceerd is. Inmiddels is dan de toekomst werkelijkheid geworden en het geschetste beeld een beetje lachwekkend.


In Wikipedia wordt het boek als volgt beschreven;
Fahrenheit 451 (1953) is een dystopisch sciencefictionboek geschreven door Amerikaans schrijver Ray Bradbury. Het speelt in een wereld waar boeken verbannen zijn, en kritische gedachten worden onderdrukt. De titel refereert aan "de temperatuur waarop boekpapier vlam vat en verbrandt". 451 graden Fahrenheit is ongeveer 233 graden Celsius.
De verhaallijn in het boek behandelt problemen die in de tijd van schrijven belangrijk waren: censuur en onderdrukking van gedachten en ideeën in de jaren 50 in de Verenigde staten (McCarthyisme), het verbranden van boeken in nazi-Duitsland vanaf 1933 en de verschrikkelijke gevolgen van het gebruik van een atoombom."

Het boek is dus al ouder dan ikzelf ben en je mag toch verwachten dat de door Bradbury beschreven ‘denkbeeldige wereld’ (dystopisch) geen bewaarheid is geworden.
Maar ik vond dat er beklemmend veel van wat hij beschrijft in de huidige maatschappij is terug te vinden: iedereen die met oortelefoontjes in met elkaar communiceert en nieuws vergaard, onpersoonlijke medische benadering, huiskamerwanden met televisieschermen waarop soapfiguren zich als ‘familie’ voordoen en de nivellering van gedragingen en meningen.
Boeken moeten verbrand worden omdat het nutteloze dingen zijn, die niet bijdragen aan sociaal aanvaard gedrag. De clou blijkt dan uiteindelijk dat de ideeën, waar het om gaat niet verbrand kunnen worden, zoals de media waarop ze gedrukt zijn.

Afgelopen weekend lees ik in de december special van M, maandblad van NRC Handelsblad over ‘De toekomst’. Vooral de column van Joost Zwagerman trok mijn aandacht. Hij heeft het over boeken in 2040:
“Het is niet onwaarschijnlijk dat boeken in 2040 jaar zin verschraald tot museale voorwerpen”
en even verder zegt jij (hij heeft het over zijn zoontje dat dan net zo oud zal zijn als hijzelf nu is):
“Zal hij sowieso nog wel lezen of bestaan er in 2040 een soort virtuele ‘influisteraars’ die via een ultrakleine computer die vlak onder ons schedeldak is aan te brengen allerlei nieuwsfeiten en fictieve verhalen direct naar ons brein zenden?”

Wat nou, science fiction , Joost. Dat bedacht Bradbury al meer dan vijftig jaar geleden.
Maar gelukkig wordt de soep nooit zo heet gegeten als hij wordt opgediend, en het zal ook vast niet zo extreem zijn als Bradbury of Zwagerman het zich voorstelt.

Gelukkig heeft prof. José van Dijck in dezelfde NRC M een heel wat relativerende benadering:
“Het is nog nooit gebeurd dat een nieuw medium het oude volledig verving.”
en
“De vraag is niet zozeer wat we fysiek kunnen ontwikkelen, maar welke gebruikssituaties een ontwikkeling laten slagen”.

Als er dan al echte ‘influisteraars’ ontwikkeld worden, moet dat wel aanslaan er moet een cultuur ontstaan waarin dat prettig te gebruiken is. Hoop ik dan maar.

Voorlopig maar geen science fiction voor mij. Misschien moet ik maar weer eens een ‘gewone’ roman lezen.

15 dec. 2008

Blogkermis: facilileiden

En toen was het weer kermis: Essen2punt0 heeft een blogkermis geopend met als thema; Blogkermis: van professioneel consument naar producent.
Ze vraagt zich af of we als bibliotheekmensen meer moeten produceren i.p.v. consumeren:

“Maar we zijn veel minder goed in het produceren van eigen content of in het vertalen van content naar onze eigen versie daarvan. Is deze cultuuromslag nodig om aansluiting te krijgen bij onze veeleisende klanten en wie zou dat moeten doen? Moeten we dat überhaupt wel doen?
Of is het juist nodig om te zoeken naar partners in crime die die slag al gemaakt hebben? Ofwel: moeten we consuminderen, produmeerderen of zijn er nog andere opties die er voor ons liggen?"

Bibliothecaris is een ‘dienstverlenend’ beroep. Nou mag je tegenwoordig het woord ‘dienstverlening’ niet meer gebruiken. De opleiding is ook al van de D in IDM afgestapt.
Waarom die angst/afkeer voor het begrip ‘dienstverlening’?
Ik denk omdat vele mensen dat – bewust of onbewust – verwarren met ‘onderdanigheid’ en daaruit volgt een passieve, volgende houding. En die zie je inderdaad volop bij veel – oude EN jonge – collega’s. Eind vorige eeuw was er de roep om mee pro-actief te zijn (heb overigens nooit het verschil tussen gewoon actief en pro-actief begrepen).
Een fors deel van de collega’s kon daar prima in mee gaan, was van nature al onderzoekend en innoverend bezig. Want dat gaat nl. prima samen met ‘dienstverlening’.
Als dienstverlener faciliteer je de gebruiker bij het zoeken, vinden en verwerken van informatie en je probeert ze te begeleiden bij hun informatietaken.

Wat mij betreft heeft een bibliothecaris/informatieprofessional niet zo veel met produceren, maar meer met begeleiden en richting geven.
Maar het kan geen kwaad om van een faciliterende houding, meer actief begeleidend te zijn. Daarom stel ik voor om meer te facilileiden:)

3 dec. 2008

Ebookreaders lezerservaringen

Onze Cybook en onze Iliad zijn een tijdje op test geweest bij medewerkers. Hoewel beide positieve ervaringen ermee hebben blijft er toch een voorkeur voor het papieren boek.
Wat zijn hun specifieke aandachtspunten:
Cybook:
- rustig scherm, (wellicht is ledje voor als het donker is bij bushalte handig),
- lange batterijduur
- inclusief mp3
- licht gewicht i.p.v. een berg papier
- geen overzicht, zoals je dat meteen bij een papieren boek hebt
- verschuiving van bladzijde als je plotseling dichtklapt (bijv. om over te stappen) (wellicht is lock mogelijk)
- aanbod boeken qua prijs en soort gelijk met papieren
- geen meerwaarde voor pc-programma’s (tekstverwerking, internet)
- pdf manipuleringen zouden beter kunnen
Iliad:
- fijn lezen op scherm in zon en schaduw
- beetje dun, waardoor krampachtig handhouding
- opstarttijd te traag
- notities maken kan verder ontwikkeld worden, vooral wissen is lastig
- makkelijk inlezen en starten
- lange batterijduur
- aanpasmogelijkheden in breedte om leesbaarheid te vergroten, oppassen met bladeren (wellicht instellen van een soort lees draft en/of automatische aanpassing optimaal tekstbeeld
Zelf vind ik het lezen van leesboeken op de Cybook of ILiad in de vakantie erg fijn. Wetenschappelijke teksten gaan niet, daar heb ik me al bij neergelegd. Vanochtend probeerde ik nog eens een officieel e-book ’Zen tot Done’ van Leo Babauta te lezen, maar dat pdf-formaat zorgt toch voor een onzuiver of onleesbaar beeld. Daar zou echt aan gewerkt moeten worden.

2 dec. 2008

Evaluïtis

In de weekendbijlage van de NRC stonden twee artikelen over het evalueren van wetenschappers, en meer in het bijzonder over het gebruik van citatiemetingen. Het eerste artikel getiteld: “Gaat de wetenschap ten onder aan de beoordeelziekte evaluïtis? Selecteer alleen de beste wetenschappers , en geef hun alle vertrouwen” is een bijdrage van Bruno S. Frey en Margit Osterloh. Vlgs NRC een bewerking van hun hoofdstuk uit het boek: ‘If youre so smart, why arent you rich? Universiteit, markt & management’ dat binnenkort bij Boom verschijnt.
Eigenlijk zegt de titel al alles: de wetenschappers staan onder druk, en onder druk kom je niet tot creatieve ontdekkingen. Daarom is het beter die druk, die evaluatie-druk, weg te nemen. Je evalueert dan bij aanstelling van bijv. een hoogleraar en laat hem zelf verder met rust, zodat hij(of zij natuurlijk) in alle rust zijn briljante ideeënkan uitwerken.
In een reactie daarop schrijf Ton van Raan van CWTS: ‘Klinkt aardig, maar zonder evaluaties is zo'n selectie onmogelijk: Met dank aan evaluaties is aan de universiteiten veel dor hout weggekapt. Maar het evalueren gaat door, wegens het gebrek aan geld ...”.
En zegt hij de enkele geniale wetenschapper wordt met of zonder evaluaties wellicht toch niet her- en erkend, dan pas veel later. Hij noemt daar het voorbeeld van Semmelweis, voor wie erkenning erg lang op zich liet wachten.
Het is wel weer een aardige discussie, want citatierapporten en evaluaties roepen inderdaad altijd veel emoties op. Buiten dat men zo hoog mogelijk wil scoren, is er ook veel kritiek op het systeem van citatiescores, zowel van de citatiescore voor de tijdschriften (impactfactoren) als de citatiescore voor wetenschappers (h-index).
Persoonlijk vind ik het een moeilijke kwestie, vooral als je ziet en hoort dat de competitie bij bijvoorbeeld het binnenhalen van beurzen en subsidies zo groot is. Eigenlijk vereist dat toch een speciale fondsenwervers-competentie. En dat hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met een goed onderzoeker. Maar een beetje meer vertrouwen mag van mij best.

Aanvulling dec 4: wederom in de NRC las ik gisteren, onafhankelijk van bovenstaand verhaal, het bericht dat de competitie onder wetenschappers harder gaat worden. Er wordt minder 'algemene'subsidie verstrekt aan universiteiten voor onderzoek wat de zittende onderzoekers voor hun rekening kunnen nemen, maar er wordt meer geld beschikbaar gesteld voor onderzoek dat verdeeld gaat worden via NWO. Onderzoekers kunnen strijden om (een deel van) dat geld. Ongetwijfeld zal toekenning daarvan voor een deel gebaseerd zijn op citatiescores. Frey & Osterloh blijven roepende in een score-woestijn.