Posts tonen met het label cursus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cursus. Alle posts tonen

3 okt 2011

CWTS-cursus meten van wetenschappelijke output 5


Vorige week ben ik 5 dagen lang naar Leiden getogen voor deGraduate Course “Measuring Science and Research Performance” van het CWTS, hetCentre for Science and Technology Studies van de Unviersiteit leiden.




De dagthema’s waren:

- World of Science, Technology and Innovation
- Research Performance Measurements and Indicators
- Research management perspectives
- Science Mapping
- Science Policy Contexts
- Scientometrics 2.0


Hoewel onderdeel van de Universiteits Leiden heeft het CWTS ook een terugverdienopdracht. Dat bleek soms ook wel bij de uitwijding oversommige toepassingen. Voor hun toekomstige ambitie om ‘Center of Experience’ teworden kan dat een nadeel zijn. Soms was de spagaat tussen het delen vanervaringen en uitwisselen van ideeen enerzijds en het beschermen vancommerciele belangen te sterk aanwezig.


Er was veel aan gedaan het programma gevarieerd en veelzijdig op te zetten en alle aspecten en onderzoeksgebieden van het CWTS kwamen dan ook wel aan bod. Helaas was er minder aandacht voor de methoden voor de cursisten om zelf de aanwezige gegevens te verzamelen en te interpreteren.


Een belangrijke boodschap was dat je de citatiecijfers alszodanig niet zomaar, ongenuanceerd kunt gebruiken, maar dat je die dient af tezetten tegen het algemene prestatiecijfer van het veld.


Ze waarschuwden ook tegen het ‘quick and dirty’ verzamelen en gebruiken van gegevens, maar als het alternatief is om CWTS in te huren heeft dat wel een beetje een toon van eigen belang .
Uiteraard is het zorgvuldig interpreteren, verzamelen en schonen van gegevens belangrijk en uiteraard dienen die cijfers in een geheel met andere indicatoren(ook kwalitatieve) gebruikt te worden. Maar soms geven die quick-and-dirty ggevens toch wel een aardig trend aan.

Wat eigenlijk ook wel steekt is dat alle gegevens die gebruikt worden voor bibliometrische overzichten van 2 grote commerciële firma’s(Thomson Reuters en Elsevier) komen. Dat geeft toch ook een niet zo grootvertrouwen in het geheel.
Zelf worstel ik altijd met de onderwerps-indelingen en dat blijkt ook inderdaad een groot probleem te zijn. Om nog maar te zwijgen van de gemankeerde aandachtvoor humaniora in de cijfergegevens. Wellicht dat het met de komst van de BookCitation Index van WoS beter gaat.



Volgend jaar gaat de cursus aangepast worden, maar duidelijkis wel dat er sprake is van een groeiende belangstelling.
Erg interessant vond ik ook de ingangen tot het waarderen van wetenschappelijke onderzoek in termen van economische groei, innovatie en maatschappelijke waardering.





De cursus werd gegeven in het Willem Einthovengebouw aan de Wassenaarseweg, achter het LUMC. De cursus werd in het Engels gegeven, de medestudenten kwamen uit verschillende landen (NL, SW, FI, DK, FR, IT, AU, ZA,UK).

Al meteen werd duidelijk dat de leszaal in het gebouw te klein was voor het aantal (20) studenten, en door het warme weer werd het wel erg benauwd, gelukkig was er wel veel water voorhanden. Er waren wel voldoende elektriciteitspunten en we kregen allemaal een tijdelijk webaccount, ongeveer de helft had een laptop, er was er een met een iPad en de rest maakte aantekeningen met de hand. Lunch en diner waren goed verzorgd,lunch in het atrium van het gebouw en diner in buffet-restaurant Luxor. Helaas was de koffievoorziening matig, tijdens de lunch en in de – eerste – middag zelfs afwezig.






Als cursusmateriaal kregen we het boek ‘Citation analysis in research evaluation’van Henk Moed, en dat ga ik komende week eens doorlezen, venals ‘The Publish or Perish Book’ van Anne-Will Harzing (hoorde niet tot eesmateriaal).


Tijdens de cursus en in de ‘suggestions for further reading’ werden nog een aantal leestips gegeven, die ik verzameld heb in een Endnote-bestand (39 titels) dat beschikbaar is via mijndropbox.






CWTS-cursus meten van wetenschappelijke output 4




Ranking en Research management
Hoe kun je het wetenschappelijk onderzoek meten en de prestaties van universiteiten met elkaar vergelijken?
[In de ranking-systemen worden alleen universiteiten met elkaar vergeleken, omdat er voor onderzoeksinstituten - zoals bijv. het excellent presterende Max Planck Inst. geen vergelijkbare plek is, ook niet voor afzonderlijke onderzoeksinstituten. ook noemt Van Raan het probleem van de academische ziekenhuizen, die vaak verantwoordelijk zijn voor de helft van de output, maar soms moeilijkaan een universiteit te koppelen].
Allen zijn gebaseerd op de 2 commerciële producten (WoS)en (Scopus).

1. TimesHigher Education is ingedeeld in 5 categorien (teaching, research, citations, industry income, international) met een verschillende weging gebaseerd op ‘expert enthusiasm’. 2/3 is gebaseerd op citaties.


2. QS deelt ongeveer in dezelfde categorieen in, maar heeft als extra ‘employer reputation’

3. Shanghai, Academic Ranking of World Universities(ARWU), is heel erg ‘size dependent’. Trotsop oude prijswinnaars, maar zegt niets over potentieel. Bij citaties wordt alleen gekeken naar de highly cited (dus past performance)met nadruk op reputatie.

4. Leidenranking .Het kost veel tijd om websites na te kijken en om netwerk met contactpersonente onderhouden. Ranking op basis van genormaliseerde bibliometrische indicatoren, nu MNCS2 (voorheen CPP/FCSm). Het algemeen plaatje is dat als je als universiteit bij eerste 300 hoort het nog goed zit, daarna gaat de curve scherp naar beneden (hypothese van Raan: er zijn niet meer goede wetenschappers om meer goede universiteiten te bevolken). Voor Frans en Duits zijn aparte lijsten gemaakt.Gemiddelden in studies zijn niet altijd de beste indicator vanwege de ‘skewed distribution’, dan is highly cited beter (A/EPtop10%)

5. U-Multirank, een EU-project.


Naast dit soort ranking kunje ook op andere terreinen aan internationale benchmarking doen. Maar het is lastig om vergelijkbare indicatoren op te stellen.Tijssen geeft een overzicht van de wetenschappelijke indicatoren; technologie-indicatoren (zie ook het University-industry Scoreboard van CWTS); en innovatie indicatoren (bijv. voor het EriC,Evaluation of Research in Context van de KNAW en VSNU is geprobeerd te valoriseren, maar verder dan showcases komt men (nog) niet.
Ook Leru heeft alleen case-beschrijvingen).


Science mapping

Naast het ranken wordt er m.b.v. allerlei moderne textmining instrumenten geprobeerd de hele wetenschap in kaart te brengen. Kaarten die gebaseerd zijn op de bibliometrische netwerken van publicaties, co-auteurschap, cocitaties e.d.CWTS heeft voor visualisering van die gegevens de zogenoemde VosViewer ontwikkeld. Door de kaarten kun je aldus Noyons en Waltman, dichter bij de data blijven. De kaarten maken clustering mogelijk en kunnen verschillende dimensies weergeven. Van de basis bibliometrische netwerken, maak je afgeleide netwerken die je naar symmetrische matrixen kunt overbrengen en die kun je visualiseren.Zo heeft CWTS bijvoorbeeld alle onderwerpsgebieden uit WoS voor indelen van tijdschriften in kaart gebracht.Dat geeft toch een mooi beeld van de wetenschap en de vertegenwoordiging van artikelen in de WoS-database. [Ik kan me herinneren dat we vroeger zoiets geprobeerd hebben m.b.v. thesauri, maar dat is toen gestrand, ook vw de omvang]. Ook een mooie is de kaart van de tijdschriften zelf:












Wetenschapsbeleid
Cornelis van Bochove neemt een heel andere invalshoek, hij kijkt naar de invloed van Human Resources Management en carrière-politiek op de wetenschappelijke prestaties.Stelling ”Scienceoutput is the sum of competence, aptitude and randomness”. Hij wil onderzoeken of het voor de prestaties wat uitmaakt als je een onderzoeker eerder een vaste aanstelling geeft, dus eerder in zijn carrière uitselecteert. Hij laat met een Pareto-distributie zie hoe dat in de verschillende scenario’s eruit ziet. Als verschillen tussen mensen groter zijn, dan is de invloed van selectie op totale output enorm. Snelle selectie levert dus meer op.Van Bochove kijkt ook naar de economische groei, wat is het aandeel van de wetenschap in de economische groei. Daarbij komt hij tot nogal wat verrassende uitspraken. Fundamenteel onderzoek is nodig om de barriere van de ‘known laws of nature’ te verleggen. Fundamenteel onderzoek vraagt om extra getalenteerde mensen, waarbij de tijdsfactor (=leerfactor) belangrijker is dan geld; meer Einsteins, of rijkere Einsteins hadden niet sneller de relativiteitstheorie kunnen ontdekken. Je krijgt snelle groei als je veel geld stopt in toegepaste R&D op basis van bekende ‘laws of nature’ (zie Azie)Je krijgt stabiele groei op basis van het basic research model afhankelijk van leertijd (zie Japan, vanaf 80 jaren hadden ze niveau van het Westen gehaald en basic research genegeerd toen ging het neerwaarts).De essentie van economische groei zit hem dus, aldus Van Bochove in het Basic Research Model.Die boodschap, om met name te investeren in fundamenteel onderzoek is een interesante gedachte en zal hij uitwerken in een nog te verschijnen artikel.


2 okt 2011

CWTS-cursus meten van wetenschappelijke output 3

Databases en indicatoren.
CWTS zelf maakt gebruikt van de literatuurdatabase van Thomson Reuters (Web of Knowledge) die zij zelf offline ontvangen en bewerken. Uiteraard doen zij ook onderzoek naar de bruikbaarheid van andere databases en in ieder geval is het, aldus van Raan een zegen dat er meer concurrentie (Scopus, Google Scholar) is en dus het monopolie van Web of Science afkalft.
Google Scholar is vrnl. onbruikbaar, omdat er geen gegevens bekend zijn over de dekking daarvan, maar een collega op de ISSI conferentie in Zuid Afrika, zei wel, aldus een van onze docenten, dat hij blij was dat er in ieder geval iets is voor m.n. de humaniora. [Web of Science is erg gefocussed op life sciences en heeft in andere wetenschapsgebieden niet of zeer onvolledige dekking).Scopus wordt steeds beter en steeds completer, hoewel er nog steeds onverklaarbare ‘gaps’ zitten.
impact factor
Uiteraard ken ik de JCR: Journal Citation Report, waarbij Thomson Reuter ieder jaar de impact factoren van de tijdschriften publiceert. Scopus heeft daar een alternatief voor de SNIP. De SNIP index vergelijkt de citaties die een tijdschrift krijgt met de citaties die het (in de referenties bij de artikelen) geeft. En daarmee, aldus van Leeuwen krijg je een normalisatie voor het veld en worden de cijfers beter vergelijkbaar.
CWTS heeft zelf een nog betere indicator ontwikkeld de JFIS (=MNJS), die dus de citaties in een tijdschrift voor het veld normaliseert (afzet tegen het gemiddelde van die onderwerpsgroep) en die bovendien niet alleen naar de citaties uit een bepaald jaar kijkt, maar ook die van voorgaande jaren.Maar omdat ze WoS materiaal gebruiken mag de JFIS niet openbaar.
Dat neemt niet weg dat een gemiddelde zoals de journal impact factor-SNIP-JFIS toch niet zulke goede indicatoren zijn, omdat je bij alle ziet dat de distributie van de citaties ongelijk verdeeld is over de tijdschriftartikelen: een klein deel van de publicaties krijgt het merendeel van de citaties.

Wat indicatoren betreft gebruikt het CWTS het liefst de ‘genormaliseerde’indicatoren, omdat die beter met elkaar vergelijkbaar zijn, omdat omvang en veld waarin gepubliceerd wordt daarmee worden gelijkgeschakeld.
Niet/genormaliseerde indicatoren :
P= number of publications (alleen substantiele bijdrage: article, review, letter)
TCS= total citation score (self citations ignored)
MCS= mean citation score (gemiddelde citatiescore)
Genormaliseerde indicatoren:
MNCS = C/FCS + + de citatiescore gerdeeld door de veldscore = gemiddelde score in een onderwerpsveld
MNJS=JCS/FCS + + en dat kun je ook uitrekenen voor een tijdshcrift alss geheel (JFIS)
Pptop10%= om de zogenoemde ‘outliers’(enkele publicatie die extreem veel geciteerd wordt) er uit te halen en te kijken hoe de prestatie is in het topsegment van het onderzoeksgebied.
Van belang bij het bepalen van een vergelijkbare citatiescore is het citatievenster. Eventueel kun je aan een bepaald documenttype een bepaald gewicht toekennen (bijv een ‘letter’ telt dan minder zwaar als een volledig artikel).
Ludo Waltman, die de indicatoren presenteert gaat ook nog in op de h-index met de woorden ‘gebruik nooit de h-index’, iets waarover hij ook zal publiceren in JASIST.

Wat is er mis met de h-index?
De h-index geeft het kruispunt aan van aantal publicaties en aantal citaties per publicatie van een onderzoeker. Volgens CWTS-berekeningen is dat een inconsistente indicator, hij toont nl bij gelijkblijvend gedrag niet een gelijkmatige verhoging van de index. De h-index kan nooit omlaag gaan en ook nooit hoger worden dan aantal publicaties. Ook normaliseert hij niet naar verschillen in het veld, naar leeftijd en lengte van de wetenschappelijke carriere van de onderzoeker, en naar zijn gekozen publicatiestrategie.
Kortom het deugt niet.
[ Jammer genoeg is het wel een erg handig getal, wat tamelijk makkelijk zelf te produceren is zonder ingewikkelde berekeningen en toegang tot moeizaam verkregen gegevens. En zolang daarvoor i de plaats geen net zo handig hanteerbaar instrument voorhanden is zal dat ook wel gebruikt blijven, denk ik.]
Het alternatief wordt tijdens de cursus ook aangereikt: dat is wat de CWTS al doet door in samenwerking met onderzoekers en tegen de achtergrond van het onderwerpsgebied, genormaliseerde gschoonde citatiegegevens te gebruiken samen met kwalitatieve peer evaluatie.Grootse problemen bij alle indicatoren zijn er doordat onderwerpsclassificeringen niet helder zijn en er een betere methode zou moeten worden gevonden voor het contextualiseren van het onderwerpsgebied waarin onderzoeker/onderzoeksgroep werkzaam is.

Robert Tijssen gaat nog in op het begrip 'excellence'.In de huidige praktijk worden universiteiten, onderzoeksgroepen en -instituten iedere zes jaar ge-evalueerd volgens het SEP (Standaard Evaluatie Protocol). Het SEP geeft ook de definities voor de classificaties "excellent", "very good", "good" etc. Hoewel collega van Leeuwen eerder zei "er is geen directe link tussen citaties en kwaliteit, het moet altijd via 'impact'lopen " loopt het meten van kwaliteit toch vaak over het meten van impact. CWTS beveelt wel aan de gehele portfolio van kwalitatieve peer review en kwantitatieve scientormetrische gegevens te hanteren. Toch geeft een 'highly citated' analyse wel een indicatie van goede kwaliteit.Aardig is het onderzoek naar bibliometrische gegevens van Spinozaprijswinnaars. "De NWO-Spinozapremie is de hoogste Nederlandse onderscheiding in de wetenschap". Als je de resultaten van de Spinozaprijswinnaaars-kandidaten met de indicator MNSC kalibreert kom je gemiddeld op 2.1 (2x het wereldgemiddelde), kijk je alleen naar de winnaars dan kom je uit op 3 (met een standaard deviatie van 1.7 - meestal humanoria). Dat geeft toch aan dat je met die indicator, mits gekalibreert naar veld wel iets kunt zeggen.Ook blijkt dat Thomson Reuters er in zijn voorspellingen naar de Nobelprijswinnaars redelijk vaak raak schiet.Voor profilering van een onderzoeksgroep is het wel noodzaak de uitschieters eruit te halen, dat is geen voorbeeld van excellence. Dat kun je doen met de A/EPtop10% of zelfs A/EPtop1% scores.

1 okt 2011

CWTS-cursus meten van wetenschappelijke output 2

Maatschappelijke relevantie en de waarde van de wetenschap voor innovatie.
Prof Robert Tijssen gaat in op kenmerken van wetenschap en innovatie, hoe kun je wetenschap, de bijdrage van de wetenschap aan innovatie i.c. innovatieve producten herkennen?
De outputs zijn niet alleen publicaties, maar ook standaarden, training van Phd’s, patenten e.d., die hebben impact op de media en overhead en dat leidt tot beleid en economische inpassing in nieuwe processen en producten. Daaruit vloeien dan weer de ‘outcomes’ voort, de maatschappelijke en commerciële opbrengsten.
Om die opbrengsten en invloeden te meten kun je verschillende toolboxen gebruiken waaronder bibliometrische studies )maar ook econometrische en management studies en surveys.
Het is nog niet zo eenvoudig om de invloed van wetenschappelijk werk te meten, omdat je eerst moet weten wie de gebruikers zijn en wie er van profiteren, omdat er vaak sprake is van meervoudige invloeden. Ook kan er soms een behoorlijke tijdspanne zitten tussen onderzoek en een meetbaar resultaat. Causaliteit blijft moeilijk aantoonbaar.
Anders dan bijv. bibliometrische citatiepatronen laten ook surveys een overzicht zien van de waarde van de wetenschap. Bijvoorbeeld in een survey heeft de EU laten onderzoeken wat de houding van Europeanen is t.a.v. de wetenschap (Eurobarometer 340). Daaruit blijkt dat toch meer dan de helft van de bevolking positief staat t.o.v.de wetenschap en de maatschappelijke bijdrage van de wetenschap. Later in de week laat Ingeborg Meijer ons zien dat er naast bibliometrische methoden en survey’s nog andere methoden zijn om het maatschappelijk belang van onderzoek te meten. Zij hebben dat gedaan bij LUMC. Dat is wel een aardige aanvulling i.v.m. toenemend belang van ‘valorisatie’ (maatschappelijke waarde, ook ondernemerschap of publiek-private samenwerking).
Wel kom je, aldus Meijer snel in discussie terecht over meten van wetenschappelijke resultaten: kwantitatief vs kwalitatief, strikt wetenschappelijk en/of valorisatie, welke indicatoren je gebruikt en hoe die ingezet (c.q. gemanipuleerd )kunnen worden.
De methodologische vragen naar de robuustheid van de systematiek en de waarde ervan, m.n. vanwege het ontbreken van de relatie tot de wetenschappelijke kwaliteit.
Toevalligerwijs is er net die dag een onderzoek gepubliceerd van een consultancy bureau dat de economische verdiencapaciteit van de universiteit Leiden heeft gemeten en tot de conclusie komt dat leiden 4x zoveel opbrengt als het kost.

Tijssen laat in een aardige grafiek uit Google labs zien dat je bijvoorbeeld met Google books een aantal onderwerpen kunt vergelijken door in de full text van boeken te zoeken en te kijken naar het voorkomen van het gebruik van die termen (termen als innovatie, bibliometrics).

29 sep 2011

CWTS-cursus meten van wetenschappelijke output 1

Op maandag 26 september 2011 komen in een veel te klein zaaltje in het Willem Einthoven-gebouw van de Universiteit Leiden, 20 studenten samen voor de cursus “Measuring Science and Research Performance” van het CWTS. Het CWTS is de afdeling van de Universiteit Leiden die door bibliometrisch onderzoek wetenschaps- en technologie indicatoren berekent en de onderzoeksresultaten van een universiteit of afdeling bibliometrisch onderzoekt. CWTS heeft daarin wereldwijd een grote naam opgebouwd. De studenten komen dan ook uit 9 verschillende landen


De eerste dag heeft een inleidend thema:’de wereld van de wetenschap, technologie en innovatie’.
Paul Wouters, directeur van het CWTS, opent met een eerste inleiding over het vakgebied van de ‘scientometrics’.
Beginnend met het filmpje “Science is real”. Dat aangeeft waar het bij wetenschap om gaat, om de content. Voor scientometrische beschouwingen worden citaties uit die werkelijkheid van de content gehaald en als zelfstandige entiteiten behandeld (verzameld en geteld).

Terwijl in de cirkel van onderzoek het debat, de peerreview, de interactie met collega’s centraal staat, heeft de cirkel van de citaties een eigen focus van aantallen. Paul schildert de opkomst van citatietellingen, vanaf 1873.
Paul Wouters, zelf gepromoveerd op “The Citation Culture”wat de geschiendenis van de Science Citation Index beschrijft, schildert de opkomst van citatietellingen, vanaf 1873.
Hij concludeert bij de opmerking dat Garfield al in 1955 bij zijn eerste idee van een citatie index, veel afwijzende reacties kreeg, dat in wezen de kritiek nog steeds dezelfde is “een citatie zegt niets over de publicatie zelf’.
Zie ook de beschrijving van de citation index in Wikipedia

R!=C reference is the inverse of the citation


Een citatie gebruiken als indicator voor een publicatie is geen natuurlijk proces, het komt niet voort uit de wetenchapo zelf. Een citatie is veel meer een teken van erkenning in de reputatie-competitie.
Een basisvraag blijft dan ook ‘waarom wordt een werk geciteerd’? Dat citatie-gedrag is tamelijk lastig omdat het geen wetmatigheid betreft maar een psychologisch, sociologisch en cultureel bepaald proces is. De huidige dominante theorie is de normatieve theorie, gebaseerd op de ideeen van Kaplan, N. The norms of citation behavior: Prolegomena to the footnote. American Documentation 16, 179-184, doi:10.1002/asi.5090160305 (1965).
Ton van Raan vervolgt, als nestor van de club, met een uiteenzetting over de ‘basics’van de bibliometrie:
1. Netwerken: primair citatie netwerk, co-citatie netwerk, bibographic coupling
2. Kennisvelden, breng de wereld in kaart m.b.v. door citaties gerelateerde word countings n een driehoek
3. Genormaliseerden onderwerpsvelden , en naar tijd genormaliseerde citatievensters
Bibliometrisch onderzoek kun je top down benaderen, gebaseerd op veld structuren, of bottom up, waarbij de auteur de gegevens kan inbrengen.
Belangrijkste indicatoren zijn: P (publicaties), C+sc (citaties), CPP (citaties per publicatie), Pnc (publication not cited = time depended)en top 10%.
De zogenoemde ‘crown indicator’is de CPP/FCSm (dus de citaties per publicatie gedeeld door gemiddeld aantal citaties per veld) Dat boven 1 moet zijn.
[Tegenwoordig hanteren ze de MNCS mean normalized citation score, waarbij ook het gemiddelde van het tijdschrift wordt meegeteld].
Wat kun je met bibliometrics?
* Invloeden meten van wetenschappelijk werk
* Patronen ontdekken in de structuur van de wetenschap.
Tegenwoordig wordt meestal de term 'scientometrics' gebruikt, om aan te geven dat er bij evaluaties naar meer wordt gekeken dan alleen naar citaties van publicaties. Scientometrics is ook de term voor organisaties rondom dit thema. Zo is er een European Summer School of Scientometrics, die van 11-16 september gehouden werd, en die vlgs een Zweedse mede-cursisten al helemaal was volgeboekt. De presentaties zijn op de website gepubliceerd en omvatten dezelfde thema's als in de CWTS-cursus: citaties, indicatoren, science mapping. Ook is er een International Society for Scientometrics and Informatics, die in juli 2011 heeft gecongresseerd in Durban, Zuidafrika. ieder 2 jaar wordt door ISSI een congres georganiseerd, en meestal in het tussenliggende jaar organiseert CWTS een 'Conference on Science and Technology indicators'. Er bestaat een tijdschrift gewijd aan de onderwerpen die in dit vakgebied een rol spelen getiteld Scientometrics, en een ander belangrijk tijdschrift is JASIST, Journal of the American Society for Information Science and Technology.

25 mrt 2010

Ecologiecursus


Sinds begin maart volg ik de cursus Ecologie: Leer het Landschap Lezen. Het is een cursus in Ecologie en Beheer van het Nederlandse Landschap en Landschapselementen.
Het draait daarbij om het Nederlandse landschap, de vegetatietypen en de plantengemeenschappen. We beginnen de eerste lessen met theorie en gaan later op excursie om e.e.a. in de praktijk te zien en meemaken.

Het Nederlandse landschap is heel erg een product van de ijstijden en van het menselijk handelen daarna. Daarbij zorgen bodemstructuur, standplaatsfactoren en milieudynamiek (natuurlijk en cultureel) voor allerlei variaties.
De theorie startte met een introductie in het ontstaan van het Nederlandse landschap. Et hele verhaal van ijstijden en het waarom daarvan is fascinerend. Op de site van Meteo-Maarssen trof ik als onderdeel van de online cursus Paleoklimatologie een overzicht van 11 ijstijdtheorieën. Conclusie is dat het om een complex van factoren gaat, waarbij de stand van de aardas t.o.v. de zon een bepalende rol speelt. Duidelijk is wel dat over een kleine 3000 jaar er weer een ijstijdperiode zal volgen.

In de twee ijstijdperioden waarin Nederland gedeeltelijk bedekt was met landijs zijn de stuwwallen e.d. gevormd. Ook zorgden die ijstijden ervoor dat een fors aantal inheemse boomsoorten zijn uitgestorven. Ze konden nl niet over de dwarse bergketens van de Alpen en Pyreneeën heen Dit i.t.t. Noord-Amerika waarbij de bergruggen in de lengte lopen en de vegetatie zich daar ver naar het zuiden kon terugtrekken en na de ijstijden weer kon herstellen in het noorden.

Met de komst van de mens en de landbouw is een grootschalige aanpak van het landschap begonnen. Met name alle venen zijn (en worden nog steeds) ontwaterd en/of afgegraven. De grond zakt daardoor spectaculair en dat brengt grote problemen met zich mee voor de waterhuishouding.

De ondergrond van Nederland wordt in de website Natuurinformatie door TNO Bouw en Ondergrond in vijf hoofdstukken uiteengezet: schatten in de bodem, bodem in beweging, oerbewoners van Nederland, ondergrondse tijdmachine en geologische begrippen. De website heeft ook een verwijzing naar het DINO-loket
:

DINOLoket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.


En naar Geofoon, het loket voor iedereen die meer wil weten over bodemdaling, aardverschuivingen e.d.

Zo kom je verzeilt in een ongekende rijkdom aan informatie.
Voor deze eerste lessen over de abiotische factoren van het landschap gebruik ik, naast de syllabus van de cursus 2 boekwerken:


ANWB geologieboek Nederland / Wim de Gans ; [red.: Harry Bunk ; ill.: Invorm,
Jeroen van Kesteren]. - 2e dr. - Den Haag : ANWB, cop. 2008. - 160 p. : ill.,
krt. ; 31 cm + Routegids (64 p.) Uitg. in samenw. met TNO. - 1e dr.: 2006. -
ISBN 978-90-18-02416-1 geb.




De Bosatlas van ondergronds Nederland / [idee, research en tekst: Henk
Leenaers ; projectcoördinatie: María Camarasa ; concept en cartogr.:
Noordhoff Atlasproducties]. - Groningen : Noordhoff, cop. 2009. - 96 p.
ISBN 978-90-01-12245-4 geb.


...wordt vervolgd...

17 mrt 2009

in de collegebanken

Afgelopen vrijdag heb ik weer een college uit de serie Cutting Edge Ecology gevolgd.
Aan de Universiteit van Wageningen, naast buitenstaanders en leken, zoals ikzelf en een Wageningse bodemdeskundige, waren er een flink aantal studenten, 3e jaars.
Die zullen dus zo’n jaar of 20 zijn, schat. Voor een groot deel, niet helemaal maat toch, opgegroeid met een digitale wereld. Met tv en internet.
Tot mijn verbazing had (bijna) geen enkele student een laptop bij zich: iedereen maakte braaf zijn/haar aantekeningen met pen en papier. Op zo’n collegedictaat, die je uit de blok kunt scheuren en dan later in een multomap bewaren.
Die heb ik heel vroeger zelf ook wel gebruikt.

Ik heb er een van de studentes expliciet naar gevraagd. Ze zei: “Ja, de meeste van ons maken aantekeningen met pen en papier, ik was al verbaasd om u met een laptop te zien”.
[Ze zei ‘u ‘tegen mij, omdat ik als overjarige student (en dan ook nog eens met een (mini-) laptop) een beetje uit de toon viel].

In de gangen zie je wel WUR-studenten op een laptop werken, en op een van de vele aanwezige computers (kun je als buitenstaander niet op terecht, want je moet met je WUR-account inloggen). Maar in de collegezaal niet.
Die is er bovendien ook niet voor ingericht, want er is geen stopcontact te bekennen.
Dus in de pauze, gauw een stopcontact gezocht in de gang om mijn EEEtje op te laden.

Ook een internetaccount is niet beschikbaar, want - in sommige zalen – is wel draadloos internet, maar alleen als je over een WUR-account beschikt. Bezoekers niet welkom lijken ze te zeggen daar in Wageningen.

Enfin, een tip voor de nieuwbouw van het onderwijsgebouw: leg stopcontacten aan in de collegezalen en geef bezoekers een guest login, is wel zo vriendelijk.

En wat die studenten betreft: ben benieuwd hoe lang die collegedictatenblokken nog gebruikt blijven worden?

11 mrt 2009

Cutting Edge Ecology 2009

Onder dezelfde titel als 2 jaar geleden gaan we van slag met Cutting Edge Ecology. De intro lezing van Louise Vet heeft dezelfdetitel 'Ecology; the necessity, the challenge, the cutting edges, the NIOO' .

Eens in de 2 jaar wordt de cursus gegeven voor studenten en belangstellenden. Dit jaar zal er meer nadruk liggen op moleculaire ecologie.

Ecologie als wetenschap is de studie van de interacties van organisme op hun (veranderende) omgeving. De noodzaak tot het bestuderen van de ecologie ligt in de veranderingen die zich op onze planeet voltrekken, met name de klimaatverandering en het daarmee samenhangende verlies aan biodiversiteit.

Ecologische kennis, aldus Louise, is noodzakelijk voor iedereen in verband met voedselproductie - i.c. de beheersing van plaagdieren, milieuproblemen zoals gifitige blauwalgen en het streven naar duurzaamheid, met name het hergebruikprincipe van het cradle-to-cradle concept.

De uitdaging ligt in het begrijpen van de biosfeer, de structuur en het functioneren van de ecosystemen en het belang van de aarde.

En wat zijn nu de ‘cutting edges’, ofwel het baanbrekende onderzoek op dit terrein?
Dat zijn met name de combinatie van genomics en moleculaire ecologie. De ‘omics’-instrumenten zijn allemaal een bijdrage aan het beter begrijpen van de ecosystemen (genomics, metabolomics) dat geeft het onderzoek naar de mechanismen die invloed uitoefenen op de evolutie een toegevoegde waarde.
Ook de microbiele ecologie met zijn nog 95% onbekende en ongeidentificeerde organismen biedt veel baanbrekende onderzoeksactiviteiten.Onderzoek wordt bijvoorbeeld gedaan naar de biochemische potentie van enzymes. De studie van microbiologische processen naar ecosysteem kringlopen is een studie naar complexe systemen.
Het NIOO participeert ook in het Darwin Centre for Biogeosciences waar bio-geoshere interactie wordt bestudeerd.

Deze eerste dag kregen we na de pauze een introductie van Marcel Visser over de gevolgen van de klimaatverandering voor koolmezen. Onder de titel ‘Climate change breaks up ecological relationships’ liet hij zien dat omdat de temperatuurstijging voor de rupsen een andere betekenis heeft dan voor de koolmezen, de vraag naar rupsen (=voedel) en het aanbod van de koolmezen (jong die voedsel nodig hebben) niet meer synchroon valt. Koolmezen leggen onder invloed van de temperatuur weliswaar eerder, maar de temperatuur nadat ze de eieren gelegd hebben is niet meer van invloed, terwijl de rupsen juist uitbundig gaan groeien als het warm is iets later in het voorjaar (als de koolmezen dus al eieren gelegd hebben).
Het onderzoek gaat vervolgens in op de vraag of en hoe de koolmezen zich aanpassen aan hun veranderende omgeving (temperatuur en voedselaanbod) en hoe snel die aanpassingen gaan. De grote vraag is of de koolmezen gelijke tred kunnen houden met de rupsen.
Maar tot nu toe is de conclusie dat klimaatverandering leidt tot een ‘mistiming’in voedselaanbod en voedselvraag.

Overigens zijn op de website van Beleefdelente van Vogelbescherming Nederland de verrichtingen van een van NIOO’s koolmezennesten te volgen via de webcam.

28 jul 2008

Access Vervolg

Cursus Access Vervolg in 2 dagen bij Twice. Het cursusmateriaal is gemaakt door The Courseware Company. Nu zie ik dat de cursusboeken gewoon te koop zijn voor 40 euro. De cursus bestaat uit 5 modules: de modules 5 tot en met 9, eerst een verhalende beschrijving, een overzicht van de procedures en vervolgens opdrachten. Twice koopt dit cursusmateriaal in samen met alle voorbeeld databases. Vanuit een database zijn allemaal kopietjes gemaakt, die de situatie weergeven van een bepaalde fase in het ontwikkelproces van de database. Zo kun je met telkens een nieuwe database oefenen.
Wat zat er in de cursus: formulieren, macro’s, vba, beveiliging en beheer, integratie.
Eerst formulieren, subformulieren en gekoppelde formulieren met daarbij behorend het opbouwen van expressies (berekeningen) en het gebruik van besturingselementen m.b.v. de werkbalk besturingselementen. In het begin moet ik nog erg wennen aan de manier van werken in het boek. Het telkens opstarten van andere databases en het volgend van de uitgeschreven demo’s. Ook merk ik iedere keer weer, dat ik nog steeds niet helemaal muisvaardig ben, zeker niet waar het gaat om de knoppen precies op de goede plek te zetten. Gelukkig kun je het met het formulierontwerpgrid uitlijnen.
Met macro’s kun je verschillende acties achter elkaar laten uitvoeren. . Door opdrachtknoppen toe te voegen aan een formulier en daar actie-macro's aan vast te knopen maak je de navigatieknoppen overbodig. Die verwijder je dan via opmaakmenu. Ook kun je met behulp van databasehulpprogramma’s een schakelbord maken. Vroeger was dat dacht ik standaard, nu kun je het zelf aanmaken en bewerken als formulier. Er zitten wel beperkingen op, want hij geeft standaard 8 opties, en als je daarvan een wilt weghalen geeft hij een foutmelding.
Met Data Access Pagina’s kun je formulieren maken in HTML, die via Internet kunnen worden ingevuld. (Is er in Access 2007 al weer uit, advies is om dan SharePoint Services te gebruiken).
Het VBA, Visual Basic Applications stelt niet zoveel voor. Het geeft een blikje in de mogelijkheid die je hebt om achter ieder object een programmacode te hangen, waardoor er een évent’ kan worden uitgevoerd. Belangrijkste is het commentaarteken (apostrof), het commando voor het declareren van de variabelen ‘Dim’ en voor het ophalen ‘Me.’ Beetje oefenen met voorwaardelijke procedures If.. then..else, waarbij de notatie onder elkaar belangrijk is anders begrijpt hij het niet.
Een eyeopener voor mij zijn de beheersinstrumenten, die ervoor zorgen dat je bijvoorbeeld vanuit een Excel sheet, zo een database kunt maken. De analysetool geeft een suggestie voor het aanmaken van tabellen, dus eig. het opsplitsen van de gegevens in tabellen. Ook kun je controleren of je database wel consistent is opgebouwd.
En het maken van replica’s, zodat je met meerdere mensen op meerdere locaties in de database kunt werken en die later kunt synchroniseren. Een andere variant is die waarbij je de database tabellen centraal beschikbaar stelt en iedere gebruiker kan daarop zijn eigen queries, formulieren en rapporten maken: de front-end back-end oplossing.
Het is wel duidelijk dat dit niet (meer) de beperkte Access is uit de kinderjaren. Er zitten aardig wat mogelijkheden in. De 2007 versie is behalve uiterlijk (met het nieuwe office lint) ook intern veranderd doordat de database structuur helemaal gewijzigd is. Er wordt nu een xml-structuur gebruikt, weliswaar een Microsoft XML met diverse data definitietabellen, maar de xml-mogelijkheden bieden zich dus al aan.
Wanneer maak je nu een nieuwe database? Wanneer er een samenhang is en dagelijkse noodzaak gegevens samen te gebruiken. Het gebruik van Access houdt op daar waar complexe berekeningen moeten worden verricht. Over database design: er is een proces van data-analyse (Codd) dat normalisatie heet en dat uiteindelijk de gegevens kan terugbrengen tot entiteiten. Dat wil zeggen tot welke tabellen en gemaakt moeten worden. Basisgedachte is dat samenhangende gegevens een object = een entiteit zijn en dat zijn alle gegevens die afhangen van een en dezelfde sleutel. Zijn gegevens niet afhankelijk van dezelfde sleutel dan kun je stellen dat het een andere entiteit is en dus een aparte tabel voor gemaakt moet worden.
Codd had ik al eerder gevonden met zijn boek over het relationele database model. Van de Twice docent krijg ik nog wat extra documenten om door te lezen.
Al met al was het toch wel een nuttige exercitie, hoewel ik me afvraag of ik het ook niet gewoon thuis had kunnen doen. Maar ja, ga er dan maar eens 2 dagen voor zitten.

21 jul 2008

MS Access

Access, dus. Terug naar de cursus database management. Destijds, tijdens mijn doctoraalopleiding aan de UvA, heb ik bij de database-module juist niet voor Access, maar voor CDS-ISIS gekozen. [pff.. ik had een homepagina op wxs, op mijne-mail naam:mheyden, maar is nu allemaal veranderd naar KPN, met onze gezamenlijke inlognaam]. Ik heb toen wel de basis van Access gedaan, maar het stond me altijd wat tegen. De theorie was dat je beter niet een relationele database kon kiezen voor een bibliotheekbeschrijving, omdat de velden te verschillend zijn, dan is een inverted file database aan te bevelen. Maar inverted files als indexeertechniek worden nu overal toegepast. En CDS-ISIS is/was eigenlijk een ‘gewone’ tekstgebaseerde database. Een aardige evaluatie over CDS-ISIS gelezen, helaas ongedateerd en naamloos, maar waarschijnlijk van Egbert de Smet uit 2004. Het blijkt dat het nog steeds bestaat en als open source software verder gaat. Maar het is nog steeds in leven en onder de vlag van de UNESCO.
Maar nu dus Access. Na de data management cursus van begin juli is het wel duidelijk dat ik mijn Access-kennis en –vaardigheid wat moet oppoetsen. De bedoeling is uiteindelijk dat ik als een soort vraagbaak ga functioneren voor de mensen die een Access database willen opzetten. Voor de eenvoudige vragen dan en de werking van de software. Het omgaan met en interpreteren van wetenschappelijke gegevens ligt niet binnen mijn competentie (en ambitie).
Om te beginnen kijk ik op Internet naar een basiscursus Access. En ja hoor, zelfs Microsoft zelf geeft een online cursus ‘Kennismaken met Access` of in het Engels ´Get to know Access´. En ook een handleiding in het Engels. In het Nederlands kun je een handleiding downloaden van de TU Eindhoven.
En zelf ga ik - eind deze week - een vervolgcursus doen in het Open Leercentrum van Twice. Ben ook wel benieuwd hoe zij dat vormgeven. Zelf maak ik tegenwoordig mijn cursus ook als een soort zelfstudiemateriaal. En in het Open Leercentrum is er ook sprake van zelfstudie.

8 jul 2008

Endnote cursus

Maandag naar Wassenaar naar het NIAS. Ook een KNAW-instituut, maar een dat zich – op het gebied van de alfa- en gammawetenschappen begeeft. Zij geven beurzen uit en bij een toewijzing kan een wetenschapper zich gedurende een academisch jaar geheel toeleggen op bijvoorbeeld het schrijven van een boek.
Ter ondersteuning van de staf heb ik een Endnote cursus verzorgd.
Het is wel eens goed om alles weer eens op een rijtje te zetten. En ook in het Nederlands. Voor onze onderzoekers geef ik meestal een Engelstalige instructie en ook alle instructie materialen zijn in het Engels. Uiteraard geeft dat in het Nederlands een vreemde combinatie van Nederlandse en Engelse termen.
Mijn cursus is een hands-on training, in 5 delen.
Ik vertel eerst een stukje theorie en laat dat vervolgens in live demo zien. Daarna kunnen de cursisten aan de slag met de oefeningen. Ik beschrijf de opdracht en handelingen van de oefeningen en stele en aantal vragen. In het werkboek zijn de antwoorden achterin opgenomen.
Het was een levendige cursus, op verschillende niveaus: beginners, gebruikers, gevorderd en alleen systeemtechnisch. Maar het gaf me wel een goed gevoel.
Het geven van een cursus vind ik toch wel erg leuk. Sinds onze eerste Internetcursussen eind jaren negentig heb ik heel wat cursussen gegeven vanuit Andromeda en later X-ref. Maar dit was mijn eerste – externe – NIOO cursus.